-
Titel
-
1986-1987 | Lustrumboek Tanuki 1987
-
Type
-
Lustrumboek
-
extracted text
-
JLU§TJRUMIB3(())JEK
YANUJKJ[
1,~1
Lijst van sponsors:
!
Dainippon Screen ( Benelux ) B.V. , Amstelveen
Japan Airlines CO., LTD. , Amsterdam
Nissan Motor Parts Centre, ( Europe ) B.V. , Amsterdam
Yoshida ( Nederland ) B.V. , Sneek
Yokogawa Electrofact B.V. , Amersfoort
Nikon Europe B.V. , Schiphol Oost
Philips Nederland , Eindhoven
0
Lijst van adverteerders
Unilever , Rotterdam
Schuyt -& CO , Uitgevers en Importeurs B.V. Haarlem
Restaurant-cocktailbar Camino Real , Leiden
Boekhandel Ginsberg B.V. , Leiden
JLU§TJRUMIB3(())JEK
YANUJKJ[
1,~1
;Inhoudsopgave
, -Voorwoord
P• 2
Teruji Akiyama, AmbassadeUD van Japan
-Enige opmerlcingen van de sainen~tellers
P•
-De., Tanuki
P• 8
-De oprichting van Tanuki
p.11
5
Paul Wijsman
-Vijf jaar Tanuki: een kleuterleven
Mr. F.B. Verwayen
..JI'anuki nu Rita va.n Prooij e,_. voorzitter Tanuki
-Hoe studeerde je .Ta.pans?
Pro:t·. JJr. W:.J. Böot
-DllS • .H-. ,e. Poathumue Meyjee
p.35
Nederlands Ambassadeur in Ja.pan
-lJD. W~ Dekker
p.38
-Dhr. A.G. Karl
p.42
-Japan en de wereld
p.47
Dr. K.w. Ra.dtke
-Leven in Japan
lJrs. J ·. Schol ten
~De rol van de Japanner in Nederland
M. Kunimori
-Kunstgeschiedenis en materiële cultuurkunae
p.62
van Japan - een beknopte inleiding
Prof" Dr•. \rf'~R. van Gulik
...Japanse studiën en de· culturele a.nthropologie
p.65
•(::lfeoente ontwikkelingen)
1,
D:n •. J·. a. vam Bnemen
-Om.nda Mura
Maaike Boots
p ..?;o
Parijs,
Ànchorage en een overnachting in
Seoul, naar Japan, alwaar we op de 21e in
FUlqUt¡ha ,ittivËr_1ÈdËlt, fiË ËLe $18 trFËt1iÌ1tJ V,_1il
Ittillemstad', het tweede gedeelte van Oranda-Mura, de stedelijke z6ne, naast de eerste maritieme zône fBloemendamt. Dat was
het begin van de zomervakantie in Japan,
hetgeen betekende 6 weken, 6 dagen per
week, werken in een zeer vochtig klimaat,
temperaturen boven de 35 graden Celsius en
ca. 15.000 bezoekers per dag. Er vras een
rooster gemaakt, zodat hre verdeeld werden
over I rmain-pointst in het dorp. Zo Ìras er
bijvoorbeeld de ingang, lraar je de hele dag
Itfrasshalmaserr mocht zeggen en de mensen
een folder in hun hand probeerde te drukken. Er was de zogenaamde rdouaner, waar je
de paspoorten die als entreebewijs r¡erden
afgegeven, moest vooÍ,zien van de eerste in
de rij van 10 stempels, die de bezoekers
moesten zien te vergaren om bij de uitgang
een leuk kinenhin in ontvanst te mogen nemen. Of je moest een hele dag in een miniatuur-Madurodam achter een draaiorgeltje
staan, tot de rrTulpen uit Àmsterdamrr en de
rrYellow Submarinett je tot
ja daar kwamen. Maar toch was dat ook wel r^reer leuk op
te lossen door af en toe zotn liefr popperig Japans meisje te laten draaien, lraarna
er zich aI snel een rij van orgeldraalers
achter haar opstelde. Ook het marktplein
vras geLiefd (onder de bezoekers dan). Voor
ons ryugakusei was het op topdagen zorn
800-1000 keer poseren en kostte het een
kwartier om je naar de w.c. te werken om
I
a
ß
De Lustnrmcommissie, bestaand.e uÌt
ûLto van Stenus, Rita van Prooije, Renee Pompenr Peter Lamberts¡ Dick Stegezr.terns, Fra:kje
Betten en PatricÍa van 'üugL.
even bij te komen.
De plekken die vooral
mij wat meer bevielen, waren de boerdefiJ waar kaas'verkocht
-7 2-
(v.l.n,ro)
1
·~~
.::C1J1t. 5-1'-r:,,**s**-i? :,,5r--<'jt1'.4':i mu n\ ~ft5m11f.~i!l!i. 0n~.:: c~
,C,,;ir0.t;~~ ,E!f l,_tlfiT.
5-1'-r:,,j;;:*8**-l?:,,5'-~ ~ffi~S~G8,t;*aK~MCIJ~~tft~CIJ~~~-
~. :t 5 :,,5r·C1JhtJ 0-f"~ffiCIJ s **aKo.i,t;~lt!lë tJ.., ·n, Q.:: è liEl!Tt ~ t ~ ~;;;
~~
8,$;è;t5:,,~C1J~4filEC1J&8~b~~~ffC1Jll~~~hh~ 5-1'-r:,,j;;:*8
**-i?:,,~-CIJ~~~±5:,,~AC1JhU0~ 8k8,l;;A~è--,Ytj;;:8UN~èE!t~i
aY, **1'.•rWJCIJ···~ T~~2oow•A~Bi.GèM8&~~.t;~;j;j"
n\ .::n0~<C1J±5:,,5r·A*1'.n<s,t;t~C1J&tJ0i'B,t;C1Jfil'~. :it{I'.. li•~-:JL'Y*
lfhYL' G è L' -j.:: è l;J:, 8 5 :,,j;lli1~C1JM1,f/;Eil1::iJllbG:f.l..l:: è.., Y, 11&1::,C,,~L'ill~ ~
~~àtT.
;t5:,,5r·1:::~W/TG8,$;Ali2, 5 0 O'.t!H!l!i., àt~. ~001::i!lflC1J1î::~U~l 5 0
li~txi. y;jc,·~. ~-gk 8 5 :,,Mji{;;IJ<~fl;Ht!ff~~\i;Cl)lt~/Jai. n, <.:: èl;J:~L't
~~àt~~.
**1'.4:ik j,i_Cl)~fj1;::.t;;IJ,ti,Yl;J:, ~A;l,)<8 5 :,,ji!ijlafil(l);f!!]ïlll1WtC1JiJEi! l:::~-'3-ati.n,
6.::è~•<~xa~ ~•gk ■ B~an~è~~. **1'.4:i#a 0~-~•~an6
.:: è~,c.,7'J,0tlr~ tCIJ~~~ ;;;T.
tf:± 5 :,, ,· 8 ,j;;lafil~fil1:ffi:k~
tk
il!
:l\';
- 2 -
~
voorwoord
Teruji Akiyama,
Nederland
Ambassadeur
van Japan in
Graag wil ik TANUKI, de studentenvereniging
van het Japa~ologisch Instituut aan de
Rijksuniversiteit Leiden, van harte felici teren met haar vijfjarig bestaan. Het
spreekt voor zich dat het Japanologisch
Instituut van de Universiteit Leiden als
het oudste Japanologisch Instituut van Europa met trots kan terugkijken op een lange
geschiedenis en dat het nu het centrum is
van de Japanologische studi~n, niet alleen
in Nederland, maar ook in heel Europa. Gezien de lange geschiedenis van vier eeuwen
van vriendschappelijke be~rekkingen tussen
Nederland en Japan zou men kunnen zeggen
dat niet alleen de Nederlanders maar ook
wij, Japanners, trots kunnen z1Jn op het
bestaan van dit Japanologisch Instituut
aan de Rijksuniversiteit Leiden.
Ik heb vernomen dat de studentenvereniging
TANUKI reeds meer dan 200 leden telt, en
het feit dat vele Nederlandse studenten nu
de Japanse taal alsmede de Japanse geschie denis, cultuur en samenleving bestuderen
doet mij goed, daar de bevordering van de
betrekkingen tussen Nederland en Japan mij
zeer ter harte gaat.
Het aantal Japanners in Nederland heeft de
2500 reeds overschreden en meer dan 150
Japanse bedrijven hebben zich hier gevestigd. Het lijdt geen twijfel dat de banden
tussen Nederland en Japan hierdoor op allerlei gebied steeds nauwer worden.
- 3 -
Ik hoop dat elk lid van Uw vereniging zich
bewust is van het feit dat hij een bijdrage
levert tot de bevordering van de onderlinge
verstandhouding tussen Nederland en Japan,
en ik wens de jubilerende studentevereniging n6g meer succes en voorspoed in de
komende jaren.
- 4 -
Enige opmerkingen van de samenstellers
's Nachts om half twee wordt er een pan met
boerenkool en een blikje cocktailworstjes
opgewarmd om een knagend gevoel uit de
maagstreek te laten verdwijnen. Twee mok ken 'witte motor' helpen het zaakje weg te
spoelen. Tussen het eten en intypen van
wéér een stuk tekst schieten ons de woord.en
te binnen uit Zie maar dat je het gedrukt
krijgt: "Als je al je artikelen zelf moet
schrijven heb je weinig problemen [met de
tijdsplanning]. Maar als je afhankelijk
bent van andere redaktieleden, gastschrij vers en ook nog ingezonden stukken moet
verwerken, zit je in de problemen.
Meestal komt de kopij te laat en laten de
schrijvers op zich wachten. Zorg dan dat je
de kopij minstens 2 à 3 weken voor het
drukken
( je hebt meestal druktijd afgesproken) in huis hebt.
Zet een deadline.
Vertel nooit aan de schrijvers wanneer je
er echt mee aan het werk gaat, want dan
krijg je de kopij een dag voor de drukdag."
In onze onervarenheid en enthousiasme hadden wij deze raadgeving in de wind geslagen
en kwamen dan ook in die problemen.
Hier kwam natuurlijk bij dat Edwin van Wijk
en Llllan van Oosterbos, die de oorspronke lijke bezetting van het lustrumboekcommité
vormden, hun werk 'in de steek hadden gelaten'. Zij deden dat echter om de wellicht
enig acceptabele reden die een Japanoloog
daarvoor kan hebben, nl.
het vertrekken
naar Japan! Zonder hun eerste inzet
was er misschien niets van de grond geko men. Alsnog bedankt!
- 5 -
Welnu, het feit dat u dit leest betekent
dat alles toch nog op z1Jn pootjes terecht
is gekomen en dit danken wij natuurlijk met
name aan de belangeloze medewerking van de
diverse schrijvers. Allen deskundig op het
terrein waarvoor wij hen aangezocht hebben,
zijn het stuk voor stuk informatieve en
onderhoudende bijdragen geworden.
De lezer zal bij het doornemen van het boek
merken dat, mocht hij dit misschien verwacht hebben, het boek géén systematische
beschrijving van alle mogelijke facetten
van Japan en haar studie geworden is. Dit
was ook niet de pretentie aangezien men
daarvoor slechts b.v. The Kodansha Encyclopedia of Japan voor hoeft open te slaan.
Wat hij wel kan vinden zijn de passende
verhalen over de oprichting, geschiedenis
en huidige situatie van TANUKI (in onze
ogen niet écht een kleuterleven!). Het
artikel van Prof. Boot over het wel en wee
van de studie Japanologie geeft een uniek
beeld van een 'insider'. Wat de artikelen
met betrekking tot Japan betreft, vinden we
o.a. een mooie tweespraak over de "roru"
van respectievelijk een Japanner in Nederland en een Nederlander in Japan, twee uiteenlopende meningen over de problematiek
van de handelsbetrekkingen en een zéèr eigen visie op het fenomeen Oranda Mura.
Twee specifieke opmerkingen; Het artikel
van Dhr. Karl is samengesteld uit uitspraken, gedaan tijdens een lezing voor TANUKI,
handelend over de handelsbetrekkingen met
Japan en Korea, en wordt hier gepubliceerd
met zijn eigen goedvinden. Het artikel van
Dhr. van Bremen over de plaats van de 'culturele unthropologie' in de Japanse Studi~n
--
- 6 -
--~-------------------------is naast het feit dat het een voor de meeste studenten nieuw terrein beslaat, ook
bedoeld als een eerste kennismaking met dit
nieuwe staflid.
Namens het gehele lustrumcommité bedanken
wij bij deze nogmaals de sponsors, zonder
wiens financiële bijdrage dit lustrum nooit
op deze wijze gevierd had kunnen worden.
Leiden, maart 1987.
Peter Lamberts
&
Otto van Stenus
- 7 -
De Tanuki
Voor al de mensen die ons ooit gevraagd
hebben: "'Tanuki', wat is dat?" en zich
niet lieten afschepen met het antwoord dat
het de naam is van "De Vereniging voor Stu denten in de Japanologie aan de Rijksuni versiteit Leiden" geven we onderstaande
informatie. Laat echter niemand die de
vraag nog nooit gesteld heeft, maar hem
ook niet kan beantwoorden zich ervan weerhouden dit te lezen ...
De Tanuki zoülogisch
(Dit is overgenomen uit de Tatanukiki van
11 april 1983)
De Nyctereutes procyono~des (Gray), Jap.
Tanuki, Ned. Wasbeerhond, Du. Marderhund,
behoort tot de familie der Carnivora
(roofdieren), onderfamilie der Canidae
· (hondachtigen).
Dit vosachtige dier heeft een kop die ·
enigszins is getekend, gelijk die van een
wasbeer. Lichaamslengte 55-67 cm.; staartlengte 15 - 22 cm. (n.b. deze is niet geringd) .
•
De wasbeerhond is vanuit oostelijk AziN in
Europees Rusland inge~oerd. Van daar heeft
- 8 -
hij zich over Europa verbreid tot zeer recentelijk in West-Duitsland.
Gewoonten: Nacht- en schemerdier. Bewoont
bij voorkeur vochtig loofbos of ge~engd
bos, met dicht onderhout; gaat niet hoog in
het gebergte; woont onder rotsen of in
hol~n.
De Tanukl in de Japanse cultuur
(Dit is overgenomen uit: Japan as it is,
Gakken, 1985, p. 319)
,
The tanuki ( ... ) holds a special place in
Japanese folklore. Both loved and feared,
the tanuki
is often depicted in ceramic
statues with a large protrud f ng stomach, a
small straw hat tied around its neck, a
flagon of sake in one hand, and its account book strapped to its waist. In the
folk tale Kachikachi-vama (Kachikachi
Mountain), the tanuki is cast as the villain, but he is still a playful villain
with · a certain innocence about him that
makes him impossible to hate.
From ancient times; tanuki have been
thought to have the power to trick people ·
by changing their appearances. Not only
could they change their appearance, they
were also supposed to be very good at immitating sounds such as of a
locomotive or
hoofbeats.
The tanuki figures prominently in many le gends and folk tales. Bunbuku Chagama (The
Miraculeus Tea Kettle) is the story of a
tanuki who turned into a tea kettle and
brought good fortune to someone who saved
his life. There is also a well-known children's song based upon the legend of Shojoji no Tanuki Bavashi (The Song of the Tanu-
- 9 -
ki of Shojoji).
'Tanuki-soba' is noodles with tempura
crumbs in the broth. A 'Tanuki-oyaji' is a
crafty old man.
'Tanuki - neiri'
is playing
possuin and comes from the tanuki's habit,
when surprised, of pretending to be dead
or asleep. 'Tanuki - bayashi' is the sound of
drums heard distantly in the night and
comes from the fact that' the tanuki is supposed to enjoy beating his drum-like belly.
WEL TER TALE
UNIVERSITEITSBOEKHANDEL
GINSBEJWbv
Breestraat 1271129
Postbus 9003
2300 PA Leiden
Tel. (07 1) 124642
- 10-
De oprichting van Tanuki
P. Wijsman,
de eerste voorzitter van Tanu-
ki.
Mukashi, mukashi waren er eens vier studenten. Ja, gèachtè lezers; · het is al lang . ge- leden. Dat is geen koperen jubileum, geen
zilveren, laat• staan een gouden. Nee, het
is een lustrum geleden. Vijf jaar geleden
werd Tanuki opgericht. Zie ik u glimlachen?
Een kleuter van vijf, geen respectabel oudje van honderd die de burgemeester op bezoek krijgt. Geen tradities en mores, die
in een grijs verleden wortel schoten. Geen
statig, oud gebouw waar ru!nes van reOnisten herinneringen ophalen. En ik ben bang
dat een lidmaatschap van Tanuki later niet
het sleuteltje is wat toegang verschaft tot
allerlei belangrijke posities in de maat schappij.
Maar -goed, terug naar de oprichting, terug
naar die vier studenten. Twee frisse, hollandse meiden, Kimiko Kawabata en Noriko
Namba, en twee in de bloei van hun leven
verkerende jongemannen, Frans Verwayen en
Paul Wijsman richtten in 1982 Tanuki op.
Een vereniging voor studenten in de Japanologie. Er was eerder zo'n vereniging geweest, de "Blauwe Lotus" geloof ik, maar
die vereniging was reeds lang ter ziele.
Een gebrek aan studènten zal een van de
oorzaken zijn geweest voor de verdwijning
van de "Blauwe Lotus". Maar eind jaren zeventig begon de belangstelling voor de stu die Japans flink toe te nemen. Soms zat je
plotseling in de pauze naast ïemand, die.-:j_e
nog nooit had gezien. Het eerste jaar w id
in twee@n gesplitst. De groepen werden te
-11-
groot. Later zelfs in drie~n, in tienen
geknipt . En hoe meer mensen hoe minder ze
zich betrokken voelen bij de studie en alles wat daar om heen hoort. Aldus dachten
deze vier studenten. Een vereniging zou
oplossing kunnen bieden, Je leert elkaar
kennen, je organiseert lezingen, filmavon den, calligrafiecursussen en feesten. Zo
geschiedde. het eerste bestuur bestond uit
de oprichters: Kimiko Kawabata werd asses sor ( lett. "bij z-i tter"), z 1 J kwam met het
idee de vereniging "Tanuki" te noemen. Noriko Namba werd penningmeester (zij is later bedrijfskunde gaan studeren) . _Frans
Verwayen, die regelmatig met de wet in aan raking kwam, werd secretaris en· 'Schreef de
statuten van de vereniging. Paul Wijsman
tenslotte, die geen bijzondere gaven bezat
behalve een rijbewijs, werd voorzitter.
U ziet dit is geen spannend, grappig of
opzienbarend ' verhaal. Geen ontstaansmythe
vol Tanuki's die uit ogen, oren of voorhoofden kruipen. Geen donker caf~, waar
fanatieke . jongemannen snode plannen smeden
onder het licht van een geel peertje. Er
zijn geen volksopstanden en demonstraties
aan de oprichting van Tanuki vooraf gegaan.
Nee de oprichting van Tanuki is misschien
nog wel het beste te vergelijken met de
geboorte van een mensekind.
Iedereen is
blij als het er is, maar niemand vraagt aan
de ouders hoe het is ontstaan. Je hoopt dat
het gezond blijft, dat het een flinke jong en wordt (Tanuki's zijn altijd jongetjes
geloof ik). Je hoopt dat je er veel plezier
mee kan hebben. Wel, onze Tanuk .i
is inder daad blozend en gezond. Wat er allemaal
precies is gebeurt sinds de oprichting,
weet ik niet meer. Het. is allemaal zo lang
-12-
. --·
geleden. Vage herinneringen aan vergaderingen, feesten, films,Tatanukiki's. En
het afscheidsfeest dat Tanuki - inmiddels
onder het tweede bestuur
- Prof.
vos aan-
bood. Dat kan ik me nog goed herinneren.
Het was een groot succes.
Maar een nog groter succes is, dat Tanuki
nog steeds bestaat. Elk jaar zijn er weer
studenten, die met groot enrhousiasme allerlei evenementen organiseren, Tatanukiki's volschrijven en proberen zoveel mogelijk studenten er bij te betrekken.
Die oprichting is niet zo belangrijk ge weest. Of de Vereniging nu "Tanuki" heet of
"UmebOshi", of de studenten nu lang of kort
zijn, het is niet zo belangrijk. Een eigen
gebouw zou leuk zijn met een eigen Tanukibiblitheek, reUnies van oud-leden, zaal knechten voor de bediening of Tanuki-beurzen voor Japan.
Och, welnee, het belangrijkste is dat er
mens~n zijn, die een reis naar Parijs organiseren, een "Tora - san" - film huren en vertonen, een feestje of borreluur organiseren
zodat je eindelijk eens met dat leuke meisje uit groep lk of met die knappe jongen
uit 2c kan praten. Dat dit alles gebeurt in
naam van de vereniging Tanuki is goed voor
de duidelijkheid. En het geeft wat meer
autoriteit. Maar waar het uiteindelijk om
gaat is de moraal, de Tanuki-geest.
Lang leve onze vijfjarige!
-13-
Yi 1f 1aar W. : een kleuter leven
Mr. F.B. Verwayen
Is, zo zou men zich kunnen afvragen, het
schrijven van de geschiedenis van een vereniging die haar eerste lustrum viert niet
zoiets als het schrijven van de biografie
van een vijfjarig kind? Laten we voor de
aardigheid eens veronderstellen dat we overwogen het laatste te ondernemen en ons
om te beginnen, teneinde ons te ori@nteren
op het genre, verdiepten in de bestaande
biografische litteratuur. Het zou me niets
verbazen, als we, wanneer we na enige tijd
zouden omzien naar onze, onder de zwaarte
van talrijke lijvige levens van personen
van voldoende gewicht om hun leven beschre ven te zien, doorbuigende boekenplanken
mismoedig zouden moeten constateren, daar
niet bijster veel mee opgeschoten te zijn.
Bewonderenswaardige daden, brilliante gedachten, interessante ontmoetingen, curieuze anekdoten en diepzinnige en geestige
uitspraken zouden zonder twijfel in overvloed over ons zijn uitgestort en ons misschien verrijkt hebben met verrassende inzichten, of zelfs een nieuwe richtlijn in
het leven verschaft hebben en de morele
kracht geschonken tot het verrichten van
daden waar wij onszelf voordien niet toe in
staat geacht hadden. Een voorbeeld voor
onze voorgenomen arbeid zouden wij er
hoogstwaarschijnlijk niet, of nauwelijks in
hebben kunnen vinden. Van hoeveel brillian te gedachten immers zou de kleuter die het
voorwerp van onze bi~grafische arbeid zou
moeten vormen hebben blijk gegeven, hoeveel
-14-
bewonderenswaardige daden verricht, en hoe veel diepzinnige of geestige uitspraken
zouden wij uit zijn mond opgetekend kunnen
vinden?
Zonder de kleuter in het algemeen te willen
kleineren, durf ik te stellen dat zijn da den, uitspraken, gedachten etcetera niet
toereikend zouden z1Jn om meer dan éèn,
hooguit twee, en als men alle kritische zin
uit het oog verliest, misschien nog wel
drie of vier bladzijden te kunnen vullen en
dat is, hoewel het misschien volstaat voor
iets dat men een levensbeschrijving zou
kunnen noemen, niet voldoende voor een
zichzelf respecterende biografie. (Het bovengeschrevene is trouwens niet alleen van
toepassing op vijfjarigen; iedereen die wel
eens een sollicitatiebrief cum curricula
vitae heeft moeten schrijven, weet uit ~igen ervaring hoeveel moeite het kost, voldoende vermeldenswaarde feiten te verzamelen om dat curriculum tenminste ergens op
te laten lijken).
Niettemin; wie in het voorgaande voldoende
redenen weet te vinden om het schrijven van
biografieën van vijfjarigen onmogelijk te
achten en het dus verstandig oordeelt, voor
altijd af te zien van pogingen daartoe,
heeft, naar ik meen niet zonder grond te
kunnen stellen, ongelijk. Laten wij er eens
van uitgaan, dat het probleem werkelijk
daarin gelegen is, dat een kleuterleven inderdaad, gezien vanuit een historisch, cultureel of sociaal gezichtspunt, niet vol doende vermeldenswaarde feiten oplevert om
meer dan een onaanzienlijk pamfletje te
vullen. Is het, zo kunnen wij ons afvragen,
-15-
per se, strict en absoluut noodzakelijk,
dat wij in onze benadering van het kleuter leven uitgaan van één van de drie bovenaangegeven gezichtspunten en is het daarbij,
zo kunnen wij ons verder afvragen (het zij
mij vergund, de lezer hier terzijde te doen
opmerken dat er praktisch niets is wat wij
ons niet kunnen afvragen) vereist dat wij
onze kleuter voorstellen als het handelend
middelpunt van ons relaas, of zouden wij
hem ook mogen nemen als het voorwerp van
een observerende beschrijving: met andere
woorden: bestaat er een keuze tussen de
kleuter als subject en de kleuter als object?
Wat het eerste betreft: nee,en de tweede
vraag kan het beste beantwoord worden met
een wedervraag: waarom niet ? Het is heel
goed denkbaar dat men vanuit een gezichtspunt van sociale aanpassing, ontwikkeling
van taalvaardigheid, psychologie, kindergeneeskunde en dergelijke, een case-history
beschrijft die in feite neerkomt op de biografie van een vijfjarig kind en sterker
nog, dat is, als ik mij niet al te zeer
vergis, dan ook reeds herhaaldelijk gedaan.
Is, zo konden wij ons aan het begin van dit
stukje afvragen, het schrijven van de geschiedenis van een vereniging die haar eerste lustrum viert niet bijna zoiets als het
schrijven van de biografie van een vijfja rig kind ? Ik ben bang van niet en ik ben
zelfs bang dat het niet alleen niet bijna
net zoiets is, maar zelfs helemaal niet net
zoiets. Probeert U maar ~ens de geschiedenis van een vereniging te schrijven vanuit
een oogpunt van ontwikkeling van taalvaar-
-16-
digheid, psychologie, sociale aanpassing of
kindergeneeskunde. Ik durf te wedden dat U
daar niet in zult slagen, tenzij u toevallig
het stomme geluk hebt te moeten schrijven
over de geschiedenis van een vereniging van
kindergenezers, psychologen of taalvaardigheidsontwikkelaars. Natuurlijk kan men best
zeggen -en dat doet men dan ook wel eens-,
dat een vereniging onderhevig is aan kinderziekten, maar in plaats van daarmee te willen duiden op mazelen, waterpokken, stuipen,
rode hond, wiegedood, kinkhoest of gewoon
de bof, bedoelt men dat dan meestal in overdrachtelijke zin,
zodat ik dit niet zou
willen laten meetellen als een bewijs voor
het feit dat men vanuit een kindergeneeskundig gezichtspunt over een vereniging kan
schrijven. Hoogst twijfelachtig is het verder of er bij een vereniging ooit sprake
zal kunnen zijn van een psyche. Natuurlijk
zijn -er wel weer gevallen aan te halen waar in er sprake was .van "de ziel" van een vereniging, maar ik kan niet aan de gang blijven er telkens maar weer op te wijzen, dat
er met overdrachtelijk gebruikte uitdrukkingen in dit verband niets te bewijzen valt.
Persoonlijk acht ik zelfs de vraag of men
een vereniging een ziel toe kan kennen niet
alleen geheel onbewezen, maar ook onbewijs baar en ik zie de toekomst dan ook uiterst
somber in.
Argumenten zouden misschien nog aan te voeren zijn voor de mogelijkheid de geschiedenis van een vereniging te schrijven uitgaan de van de ontwikkeling van haar taalvaardig heden, maar aangezien men toch moet aannemen dat een vereniging niet anders kan
spreken dan door de mond van degenen die
-17-
haar vertegenwoordigen,
zou dat in feite
neerkomen op het beschrijven van de ontwikkeling van die vaardigheden bij haar individuele bestuursleden, die toch, zeldzame
uitzonderingen daargelaten, meestal zelf
geen vijfjarigen zullen z1Jn en waarbij
bovendien de relevantie van van het feit
dat het om de bestuursleden van een bepaalde vereniging gaat wel eens een omstreden
punt zou kunnen worden.
Eén opzicht is er echter waarin men het
schrijven van de geschiedenis van een vijfjarige vereniging misschien zou kunnen vergelijken met het schrijven van de biografie
van een kind van die leeftijd: in beide gevallen komt men sterk in de verleiding niet
te beginnen bij de geboorte, respectievelijk de oprichting, maar juist relatief
veel tekst te besteden aan wat daaraan
voorafging, zodat men tenminste een verhaal
van enige volume produceert. Een mooi voorbeeld hiervan, dat weliswaar,strict gesproken, niet behoort tot de biografische literatuur, maar toch wel zou kunnen worden
aangeduid als een fictieve biografie, vinden we in Life and opinions of Tristam
Shandy. welks schrijver erin slaagt, het
gr~ otste deel van het, enkele honderden
pagina's tellende boek te wijden aan ge ~
beurtenissen die voorafgaan aan de geboorte
van zijn hoofdpersoon.
Eenzelfde procedé, toegepast op het schrij ven van de geschiedenis van een vereniging
die nog te jong is om een geschiedenis te
hebben is natuurlijk een. uitkomst voor ie •
mand die zich op een onbewaakt
ogenblik met
die onmogelijke taak heeft laten opzadelen.
-18-
De reden waarom het nodig was de vereniging
op te richten, de moeilijke omstandigheden
waaronder het geschiedde, de lange en geanimeerde bijeenkomsten van de oprichters,
de verhitte discussies over de verschillende standpunten van waaruit men de doelstellingen van de op te richten vereniging be schouwd wenste te zien, het duistere gekonkel van elkaar bestrijdende facties, de
hoge idealen, wat zou er allemaal niet te
beschrijven zijn, nog afgezien van de ette ~
lijke pagina's die men zou kunnen wijden
aan de lof die men het enthousiasme en de
noeste vlijt van de oprichters zou willen
toezwaaien, de blaam waarmee men hen zou
willen treffen die zich uit niets anders
dan luiheid en onge!nteresseerdheid van me dewerking onthielden, om nog maar te zwijgen van diegenen die de oprichting door hun
tege~werking bemoeilijkten. Het moet de
lezer niet moeilijk vallen in te zien dat
hierin voldoende stof voorhanden is voor
een omvangrijk werk in meerdere delen.
"Waarom", zo hoor ik nu een denkbeeldige
lezer vragen (en aangezien het een denkbeeldige lezer is, hoor ik hem dat vragen
met mijn geestesoor, hetgeen welbeschouwd
onmogelijk is, nu onze taal ons slechts met
een geestesoog heeft uitgerust en niet met
een dito oor). "Begint U dan niet als de
donder ons al die opwindende voorvallen en
bijzonderheden te vertellen in plaats van
ons nu al bladzijden lang te vervelen met
niet terzake doende vergelijkingen van
twijfelachtig allooi en allerhande flauwe
praat?"
"Dat", zo antwoord ik nu mijn denkbeeldige
lezer, "zal ik U eens haarfijn uit de doe-
-19-
ken doen: dat is omdat ik dat niet mag".
"O nee?"
"Neen, dat is mij verboden".
11
0 ja?"
"Ja, o denkbeeldige lezer, dat is mij ten
strengste verboden door de lustrumcommiss ie• Il
"Zo?", vraagt nu de denkbeeldige lezer verbaasd, terwijl bij hem het vermoeden rijst
dat dit verbod is ingegeven door vrees, dat
ik met mijn relaas van de bovengeschetste
omstandigheden rond de oprichting van de
vereniging wel eens een beerput zou kunnen
openen, een beerput die tegelijkertijd eigenlijk een doofpot is waarin men destijds
onverkwikkelijke schandalen heeft trachten
te smoren. Een heilige verontwaardiging
begint zich reeds van mijn denkbeeldige
lezer meester te maken en Watergate-achtige
visioenen van parlementaire enquetes waarin
het hem gegeven zal zijn een heldenrol te
vervullen nemen verlokkende vormen aan in
zijn hoofd. Welk een poel van duistere
praktijken zal hij aan het licht kunnen
brengen en prijsgeven aan de gerechtvaardigde toorn der publieke opinie?
"En waarom dan wel niet?"
Ik moet mijn denkbeeldige lezer teleurstellen."Omdat over de oprichting en wat daaraan voorafging al door iemand anders geschreven wordt."
Helaas, arme denkbeeldige lezer,
ik zal U
het verhaal moeten onthouden over de bezielde uren van nachtelijke arbeid waarin
de statuten van de vereniging tot stand
kwamen, over de heldhaftige lange mars, die
ik samen met de, toen nog toekomstige eerste voorzitter van de ~èreniging door Leiden ondernam, om, teneinde geld voor post-
-20-
zegels uit te sparen, eigenhandig bij alle
studenten de convocaties voor de oprichtingsvergadering af te leveren. Die zaken
horen niet tot de geschiedenis van de vereniging, omdat er toen nog geen vereniging
was en dientengevolge mag ik U er niet van
vertellen. Het zal dus noodzakelijk zijn
dat ik bij het schrijven van de vijfjarige
geschiedenis van TANUKI -want zo heet de
vereniging waar het hier om gaat - een ander
uitgangspunt kies.
Waaruit bestaat een vereniging? Een vereni ging,
zo mogen w1J gevoeglijk aannemen,
bestaat uit hare leden en die leden zijn
verenigd in de algemene ledenvergadering.
Het ligt dus voor de hand dat de geschiedenis van een vereniging de geschiedenis is
van haar algemene ledenvergadering.
Laten wij ons eens een ogenblik proberen
voor te stellen, waar dat in concreto op
neerkomt.
Wij moeten er daarbij wel van
uitgaan dat die leden ook in d i e algemene
vergadering bijeen zijn, want het is twij felachtig of een vergadering die niet bijeen is nog wel een vergadering genoemd mag
worden. Dit nu is geen probleem: de alge mene leden-vergadering van de vereniging van
Leidse st~denten in de Japanologie TANUKI,
is volgens de statuten verplicht, minstens
éénmaal per jaar bijeen te komen en, zoals
een nette ledenvergadering betaamt, doet
zij dat dan ook. Vijf jaren TANUKI, vijf
ledenvergaderingen,
vijf bladzijden aan
schrijver dezes toegemeten om daar de ge schiedenis van te schrijven, dat is precies
één bladzijde per vergadering. Wat zou er
gepaster, overzichtelijker, betrouwbaarder,
-21-
accurater zijn, wat makkelijker, eenvoudiger en minder vermoeiend voor schrijver
dezes, die immers slechts notulen zal behoeven uit te trekken en die uitreksels
chronologisch te ordenenen?
"Wat", zo vraagt nu mijn denkbeeldige lezer, die ik hier voor het laatst nog eens
aan het woord laat, "zou er tevens saaier
zijn, oninteressanter, droger, vervelender,
fantasielozer, akeliqer?"
-·
-22-
TANUKI NU
Rita van Prooije, voorzitter TANUKI
Schrijf eens een stukje voor het lustrumboek, werd m1J gevraagd. Het zou moeten
gaan over de periode waarin ik als voorzitter in het bestuur van TANUKI zat. Het probleem is nu dat die periode op het ogenblik
nog maar half voorbij is. De geschiedenis
leert ons dat een bepaalde periode het beste achteraf beschreven kan worden. Er is
dan sprake ' van een beter overzicht. Een
overzicht dat ontbreekt wanneer je nog midden in de gebeurtenissen zit. Toch zal ik
proberen iets zinnigs te vertellen.
Al vrij gauw na de installatie van het
nieuwe bestuur, bleek dat we het dit jaar
razend druk zouden krijgen.
In het vorige
bestuur, waren de grove lijnen voor het
lustrum dit jaar al vastgesteld. Maar voordat die gerealiseerd werden, had dat nog
heel wat voeten in de aarde.
In oktober
kwam ook de inmiddels opgerichte lustrumcommissie op gang. Iedereen had een eigen
taak, de één een zware, de ander een iets
minder zware. Maar hard gewerkt is er, dat
staat vast! Ik hoop dan ook dat de lustrumweek van TANUKI zo'n groot spektakel wordt
als we gehoopt hebben.
Ondertussen z1Jn de min of meer normale
aktiviteiten van de vereniging ook doorgegaan; de maandelijkse Japanologenborrel in
Camino Real, de leerzame calligrafiecursussen, de lezingen, de films én de excursie
naar Parijs in februari, waar een bezoek
werd gebracht aan de tentoonstelling "Japon
-23-
des Avants Gardes". De onderhandelingen
voor een bedrijfsbezoek aan Philips Eindhoven zijn ook in volle gang.
Als ik terugkijk naar de periode die achter
mij ligt, één jaar in het bestuur, en in
dit lustrumjaar voorzitter van TANUKI, ben
ik erg positief gestemd. Ondanks dat het
allemaal erg veel tijd heeft gekost, vind
ik dat het toch de moeite waard is geweest.
Hoewel sommige aktiviteiten mij beter liggen dan andere, bijv. het organiseren van
de excursies, lezingen en cursussen, heb ik
als voorzitter ook andere 'plichten' die
mij minder goed afgaan zoals het toespreken
van grote groepen mensen en -het moet gezegd- het schrijven van dit soort stukjes.
Ik heb erg veel geleerd in de afgelopen
anderhalve jaar, een hoop ervaring opgedaan
en veel plezier gehad.
Vanaf deze plaats wil ik graag de mede~bestuursleden, de lustrumcommissie, de Tatanukiki-redactie en onze vorige voorzitter
Edwin van Wijk bedanken voor al het werk
dat zij voor TANUKI verricht hebben. Speciaal dient ook genoemd te worden ons aller
secretaresse, Ans Smit, die bijna elke dag·
met ons opgescheept zit en zonder mopperen
werk voor ons verricht.
Wat het bestuur betreft; wij gaan nog een
paar maanden door met de normale TANUKIaktiviteiten, tot een nieuw bestuur zich in
augustus zal aanmelden. Ik wens dit bestuur
alvast alle succes toe.
-24-
Hoe studeerde je Japans?
Prof. dr. W.J. Boot
Bij koninklijk besluit van 21 maart 1855
werd aan de "Japansch translateur van het
gouvernement in Nederlandsch-Indi@" J.J.
Hoffmann de titel van hoogleraar verleend,
en hiermee was de eeste leerstoel voor Japanologie ter wereld een feit geworden.
Nadat Hoffmann in 1878 op 73-jarige leeftijd was overleden, werd Japans gedoceerd
door zijn leerling Dr. L.
Serrurier, die
tevens directeur was van het Rijksmuseum
voor Volkenkunde. Hoogleraar werd hij echter niet. De tweede hoogleraar, Dr. M.W. de
Visser (1875-1930), dankt in z1Jn inaugurele oratie
(30 mei 1917) de curatoren van
de universiteit en "andere hooge Regeringspersonen" voor hun inspanningen, die er tóe
hebben geleid dat "de leerstoel weer is
opgericht die, die meer dan 40 jaren geleden werd opgeheven." De veronderstelling
ligt voor de hand, dat in 1875, toen Hoffmann de zeventig-jarige leeftijd bereikte,
de leeropdracht Japans werd ingetrokken.
Des te groter dank zijn wij verschuldig aan
Serrurier, die in deze jaren de fakkel
brandende heeft gehouden.
De Visser's opvolger, in 1931 benoemd, was Dr. J. Rahder
en deze werd op zijn beurt opgevolgd door
Dr. F.
Vos. Bij de benoeming van de laatste, in 1958, werd de leeropdracht uitgebreid van Japanse taal- en letterkunde tot
Japanse en Koreaanse taal- en letterkunde.
Bij mijn benoeming, in februari 1985, werd
de leeropdracht weer anders geformuleerd;
zij luidt thans Japanse en Koreaanse talen
en culturen.
-25-
Een wel erg kaal overzicht, zal men wellicht zeggen.
Inderdaad, indien ik tijd en
zin zou hebben voor respectievelijk in het
hiertoe noodzakelijke onderzoek, zou het
aanzienlijk kunnen worden uitgebreid. Het
ontbreekt mij op het ogenblik aan beide,
maar gelukkig kan ik de lezer met een gerust hart verwijzen naar het reeds bestaande overzicht van de hand van Prof. Vos
{"Japanese Studies in The Netherlands" in
Modern Relations between Japan and The .
Netherlands,_een uitgave van het Nederlands
Genootschap voor Japanse Studi@n), waarin
alle belangrijke feiten, namen en gebeurtenissen staan vermeld.
Het lijkt mij beter, en ook meer in overeenstemming met de aard van deze bundel,
voorzover ik hierover ben ingelicht, om een
meer persoonlijke impressie te geven van de
vakgroep en de studie van het Japans in de
tijd dat ik studeerde en de lezer deelgenoot te maken van de conclusies die ik uit
deze ervaringen heb getrokken. Zij zijn ook
thans nog niet van relevantie ontbloot.
Het eerste dat in vergelijking met de huidige situatie opvalt, is, hoe klein de aantallen vroeger waren. Toen ik in september
1966 aankwam, vormden Sinologie en Japano- '
logie/Koreanistiek nog èén vakgroep. Het
besprekingscollege voor ouderejaars en jongerejaars studenten werd gehouden in de
leeszaal van het Sinologisch Instituut.
(Dat was toen nog gevestigd op de eerste
verdieping van een vleugel van het Museum
voor Volkenkunde; Japanologie was daar gehuisvest in de Japanse kamer.) Met enige
moeite konden alle studenten in deze zaal
plaatsnemen, hoewel ~~ laatkomers {oudere-
-26-
jaars die het Leidse kwartiertje hadden
ingecalculeerd) wat mopperden over een
stoelengebrek dat zij constateerden. Het
aantal stoelen in de leeszaal was, voor
zover ik kon zien, voldoende. Alleen kon,
kennelijk voor het eerst, niet iedereen aan
de leestafel plaatsnemen.
Wij werden toegesproken door de voorzitter
van de vakgroep, Prof. Hulsewé, die ons be zwoer nog eens goed over onze keuze na te
denken. De studie was zwaar en moeilijk, en
wij zouden er geen droog brood mee kunnen
verdienen. De grote Franse Sinoloog Paul
Pelliot werd geciteerd: "Indien U niet over
een onafhankelijk inkomen beschikt, moet ik
U afraden Chinees te gaan studeren", en ik
wil niet ontkennen dat een zekere verslagenheid zich van ons meester maakte. Maar
iedereen bleef dapper zitten.
Dit ontmoedigen van de studenten is overigens een oude traditie. In Visser's oratie
lezefi wij: "Dames en Heeren Studenten,
slechts weinigen van U zal ik onder mijn
leerlingen mogen tellen, daar mijn gebied
niet voor velen een toekomst kan verschaf fen." Eerst in de laatste jaren, nu de omvang van de staf en alle andere allocaties
op schaamteloze wijze aan het aantal inge schreven studenten is gekoppeld, slagen wij
als staf erin de stem van ons geweten het
zwijgen op te leggen, en wordt deze waar schuwing minder gehoord.
Na afloop werden de eerstejaars een voor
een binnengenodigd . in de kamer van Prof.
Hulsewé, om kennis te maken met de staf:
professores Hulsewé, Vos en ZUrcher, mede werker Jonker en assistent Schepel. Prof.
Vos had juist zijn beide assistenten Lim en
Bleijervelt verloren (de een was vertrokken
-27-
naar het Rijksmuseum in Amsterdam, de ander
stond op het punt naar Korea te gaan) en
stond er wat eenzaam bij; enige weken later
werd de Japanse tak van de afdeling echter
versterkt met Suzanne Paul, kersvers uit
Japan, die overigens na een jaar alweer
verdween.
Het aantal colleges, ook in het eerste
jaar, was miniem: 1 uur Japanse grammatica,
2 uur Japanse teksten, 1 uur inleiding
klassiek Chinees, 1 uur inleiding Sinologie
(gebruik van het Chinese woordenboek en
transcriptie), 1 uur Chinese geschiedenis
en een voor jongerejaars facultatief werkcollege van twee uur. Aangezien Japans
verplicht was voor Sinologen en Chinees
voor Japanologen, en er zich al met al
vijftien eerstejaars hadden aangemeld, was
het aanvankelijk nogal vol op college. Voor
de colleges Japanse grammatica en teksten
was de grootste zaal die het instituut rijk
was, de leeszaal, nodig. Al snel werden de
aantallen echter minder. Vanaf het einde
van het tweede semester bestond ons jaar
uit niet meer dan vijf Sinologen, twee Japanologen en twee bijvakstudenten Japans,
de één een theoloog uit Amsterdam en de
ander een noest werkende ingenieur uit
Delft. Van de zeven hoofdvakstudenten heb ben er uiteindelijk vijf hun doctoraal behaald. Twee zijn er gepromoveerd en hebben
het inmiddels tot professor gebracht.
Het idee dat het geleerde van enig praktisch nut zou moeten zijn, hadden wij, die
ondanks Hulsewé's
waarschuwing gebleven
waren, vanzelfsprekend geheel laten varen.
Niet langer door dergelijke ideeën gehinderd konden w1J ons aan de studie wijden,
en die viel eigenlijk eest mee. Het curri-
-28-
culum sloot wonderwel aan bij dat van het
gymnasium, waar wij weinig anders hadden
gedaan dan teksten vertalen, want daarop,
nl. op het lezen van Chinese en Japanse
· teksten,
lag ook hier de nadruk. De twee
colleges die daar niet direct mee hadden te
maken, Prof. Z6rcher's geschiedeniscollege
op donderdagochtend, en het ouderejaars
werkcollege op dinsdagmiddag, brachten ons
een gepast besef bij van onze nietswaardigheid en ons volstrekte gebrek aan kennis en
inspireerden ons tot het lezen van grote
hoeveelheden literatuur die daar genoemd of
aanbevolen werden.
De vrijheid was groot,
en voor lezen hadden wij zeeën van tijd.
Van een talenlab had nog nooit iemand gehoord, en conversatie werd slechts mondjesmaat gegeven. De hoofdvakstudenten Sinologie hadden een uur of twee verplichte conversatie; de Japanologen kregen vanaf het
tweede jaar een uurtje dat door mevr. Vos
belangeloos werd aangeboden. Getentamineerd
werd . het onderdeel niet, althans niet bij
ons.
De ideologie van de vakgroep, waar iedereen
behalve mijn jaargenote zich in kon vinden,
was de "Leidse Filologische Traditie",
waarom men ons, zo werd gezegd, in het buitenland benijdde.
"Leer hoe een tekst goed ,
te vertalen en te interpreteren, en al het
andere zal u buitendien gegeven worden", zo
zou je deze ideologie kunnen samenvatten.
Alleen: Prof.
ZUrcher wilde wel eens de
ste11(ng verdedigen, dat je er met de kennis van de taal nog niet was. Wilde het
echte wetenschap zijn, dan moest men naast
de taal ook nog een discipline beheersen:
geschiedenis, economie, sociologie, linguïstiek. Degenen die zich nog steeds zor-
-29-
gen maakten om hun beroeesperspectief, werd
aangeraden, onder verwijzing naar het voor beeld van Van Gulik sr., "er dan maar rechten naast te doen".
Het kon allemaal. Het
beslag dát het hoofdvakprogramma op je tijd
legde, was gering, en het aantal
jaren dat
je aan de universiteit kon doorbrengen,
onbeperkt.
Een groot voordeel van de toenmalige situatie, dat de afgunst wekte van de Sinologische kameraden, was dat je als Japanoloog
vrijwel zeker naar Japan kon gaan. Het MonbushO (Japanse Ministerie van Onderwijs,
red.) stelde ook in die tijd reed~ éèn
beurs per jaar beschikbaar voor voortgezette studie in Japan, en aangezien geen
hond Japan zelfs maar op de wereldkaart
wist te vinden, was degene die met de beurs
vertrok, meestal de Japanoloog die als
laatste zijn candidaats had behaald. Er
liep wel eens een verdwaalde Sinolooog tussendoor, maar meer concurentie was er niet
te duchten.
Aan deze idyllische situatie begon een einde te komen door de Grote Revolutie die in
het voorjaar van 1969 door academisch Nederland raasde. Aanvankelijk liet deze zich
zeer ludiek (naast "democratisch" hèt modewoord in die tijd) aanzien: een grote discussiebijeenkomst in de Pieterskerk, waar
de linkse broeders met zorgelijke gezichten
postten bij de deur, want er ging het gerucht dat op Minerva een knokploeg werd
geformeerd van Njord-leden die al dat linkse getijsem wel eens in het Rapenburg zou
meppen. Deze knokploeg der reactie, zo zij
al is geformeerd, is nooit verder gekomen
dan de bierpomp van de. Sociëteit. Met een
-30-
na!viteit en een gebrek aan mensenkennis
dat geheel in overeenstemming was met hun
Marxistische leerstellingen, besloten de
Revolutionairen in het Academiegebouw een
Permanent Discussiecentrum in te richten.
Kameraad Bol, thans hoogleraar Chinees aan
de Universiteit van Harvard, was daar aan - •
wezig, en vertelde later, dat na hat ledi gen van de laatste krat pils het revolutio naire elan zodanig verslapte dat de permanente discussie sine die moest worden ve rdaagd. Men zou kunnen zeggen dat de reactie
is vastgelopen op een teveel, en de revolutie o~ een tekort aan bier.
Voor de vakgroep werd het hoogtepunt der
Revolutie gevormd door De Grote Inspraak vergadering die enige dagen later werd be legd. In een zaal die vijf jaar later nog
maar net groot genoeg zou blijken om de
eerstejaars Sinologen en Japanologen te be vatten bij het gezamelijke college Japanse
teksten, maar die toen alle leden ruim kon
accomoderen, vond de vergadering plaats. In
een zeer persoonlijk aveu maakte de heer
Jonker zaliger nagedachtenis ons deelgenoot
van de vele frustraties die zich in z1Jn
borst hadden opgehoopt, kameraad Bol stelde
tot ontzetting van Prof. Vos voor om het
persoonlijk voornaamwoord u, dat hem als
Amerikaan toch nooit zoveel gezegd had en
hem vagelijks elitair voorkwam, af te
schaffen, andere studenten, daarin bijgestaan door Prof. ZUrcher, wilden meer werk colleges, en mijn jaargenote eiste, zeer
ondiplomatiek, meer en betere Japanse con versatie. De show werd gestolen door een
buitenissige Belg, die in een commune woonde en op het hoogtepunt van alle gebeurte nissen binnenschreed in een soort van In-
-31-
disch gewaad en met een aan elk uitsteeksel
met kettingen en belletjes behangen dame
aan de hand.
De rest van de vergadering
verliep zacht rinkelend, en het heeft enige
dagen geduurd vooraleer ik van .de ongekende
vreugde die zich bij deze gelegenheid van
mij meester maakte, was hersteld.
Aangezien er in die tijd nog geld genoeg
was, werden alle wensen die tot een verzwaring van het programma zouden leiden, gehonoreerd, en nieuwe staf, onder wie Japanse
en Koreaanse native speakers, werd aangetrokken om al deze nieuwe onderdelen te
verzorgen. Demografische factoren en de
Chinese Culturele Revolutie deden de rest,
m.n. bij Sinologie, waar de nieuwe studenten zich in drommen meldden en elkaar in
hun tweede jaar reeds in revolutionaire
slogans aanmaanden hun koffie niet alleen
te drinken maar ook te betalen. Voor Japanologie was het welletjes, en met een inmiddels van twee tot zes personen gegroeide
staf verschansten wij ons boven Slavenburg's Bank.
Daarna begon de ellende. De toevloed van
studenten en de daarmee gepaard gaande uitbreiding van de staf maakten, dat de universiteiten te duur werden,
en de minister
van onderwijs Veringa voelde zich geroepen
hier iets aan te doen. Het initiatief van
z1Jn voorganger, Jhr. de Braauw, om het
collegegeld te verhogen van 200 tot 1000
gulden per jaar, was op koppige weerstand
van de studenten gestrand.
Veringa besloot
de zaak aan de andere kant aan te pakken,
en kwam met het onzalige voorstel het universitaire curriculum te beperken tot vier,
of in uitzonderingsgevallen tot vijf jaar,
i.p.v. de zes of meer ,aren die tot dan toe
-32-
golden.
Het zal niemand verwonderen dat
elke afdeling zich als een uitzondering beschouwde, en dat ieder voor zich begon het
bestaande curriculum te comprimeren tot
vijf jaar. Tegelijkertijd werd ook de onderwijslast van de staf berekend, volgens
de jongste ambtelijke normen. Om de suggestie die deze cijfers wekten, nl. dat de
meeste stafleden wel erg veel tijd hadden
om aan hun dissertatie of ·hun politieke
carrière te werken, te ondervangen, werd ·
en passant ook het aantal colleges nog wat
opgehoogd. Het resultaat van dit alles was,
dat de contacturen ten opzichte van vroeger
meer dan verdubbelden, en de totale werkbelasting van de studenten, inclusief papers
en de voorbereiding van werkcolleges, met
een nog grotere factor toenam.
Zelf had ik erg weinig last van al deze
veranderingen en uitbreidingen. Tegen heug
en meug heb ik nog een jaar talenlab "genoten"., maar in october 1971 kon ik naar Japan gegaan waar ik tot mei 1974 aan de Uni versiteit van KyOto studeerde. Na mijn terugkeer heb ik eigenlijk alleen nog maar
geprofiteerd van de nieuwe situatie. Ik
kon meteen studentassistent worden en met
de zon in de rug in het zo verfoeide talenlab zitten soezen.
Wat is de moraal van dit verhaal? De normale van dit soort reminiscenties, nl. dat
het vroeger beter was dan nu? Tot op zekere
hoogte. het leven was vrijer en overzichtelijker. studenten met een gezonde nieuws gierigheid en werklust konden doen waar zij
zin in hadden, en deden dat ook. Studenten
die zichzelf niet bezig konden houden, verdwenen zonder dat een commissie onderwijs
-33-
of een bureau inschrijving zich daar over
opwond en begon te zeuren over rendement.
Hen raakte als student niet ondergesneeuwd
in tentamens en vakjes. De zgn. inleidende
colleges, ingesteld voor mensen die te lui
zijn om twee boekjes te lezen en voor stafleden die aan hun uren moeten komen, bestonden niet. De hoorcolleges die gegeven
· werden, sloten direct aan bij het onderzoek
dat de hoogleraar in kwestie deed, en waren
he.el wat interessanter dan het meeste dat
nu geboden wordt. Haar praktisch en effici!nt was de opleiding niet. De vraag is
maar, of dat redelijke eisen zijn om aan
een wetenschappelijke opleiding te stellen.
-34-
Drs. H.C. Posthumus Meyjes,
Nederlands Ambassadeur t~ Japan
'
Het
verzoek van het lustrumcommitè een bij drage te leveren aan het lustrumboek van
Tanuki heeft mij aangenaam verrast. De moed
zonk mij echter in de schoenen toen ik be merkte dat mijn taak zou dienen te bestaan
uit het opleveren van "een artikel van niet
meer dan 600 woorden" met een uitputtende
opsomming van mijn verwachtingen t.a.v. toe komstige ontwikkelingen van de Japans-Ne derlandse betrekkingen. De lezer zal het met
m1J eens zijn dat zulks moeilijk uitvoer baar, nee, onmogelijk is.
Ik wil mij in dit korte bestek dan ook beperken tot het neerschrijven van een aantal
losse gedachten t.a.v. de Nederlandse relaties met Japan.
Dat Nederland en Japan geen vreemden van el kaar zijn, leert de geschiedenis. Hoewel de
Portugezen en Spanjaarden ons voor waren in
het leggen van contacten, waren het Neder landers, die als enige westerlingen in Japan
werden geduld in meer dan twee eeuwen van
de isolatieperiode.
Vele tientallen strekkende meters documenten
in het Algemeen Rijksarchief en een groot
aantal "Japanalia" in Nederlandse musea vormen het tastbare bewijs van onze unieke re laties uit die tijd.
Ook tegenwoordig nog komen die banden uit
het verleden ons nog te stade: ieder Japans
schoolkind wordt het belang van Deshima in geprent als "clearing house" van Westerse
kennis, terwijl onze voorouders worden afge schilderd als "erai Sensei", die het pad
hebben geëffend voor de snelle modernisering
-35-
van Japan in de Meiji-tijd.
Onze huidige betrekkingen worden gekenmerkt
door intensieve contacten op het terrein
van handel, wetenschap en cultuur.
Een bron van voortdurende zorg vormen de
vele handelsbelemmeringen die de Nederlandse
exporteurs verhinderen een faire kans te
hebben op de snel-groeiende, koopkrachtigemaar ook veeleisende - Japanse markt.
Nederland is evenwel niet het enige land
dat met deze problemen kampt. De afgelopen
jaren z1Jn de pogingen van de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten om gemakkelijker toegang te krijgen tot de Japanse
markt in frekwentie en intensiteit toegenomen. Het ziet er naar uit dat de buitenlandse druk op Japan zijn markt verder open te
stellen nog sterker zal moeten worden.
Op cultureel en wetenschappelijk terrein
hebben onze betrekkingen met Japan zich de
laatste jaren gunstig ontwikkeld. Het aantal
Nederlandse culturele manifestaties in Japan
is gestaag gegroeid, en zal naar verwachting
in de komende jaren verder toenemen.
Het is verheugend dat de belangstelling in
Nederland voor Japan een grote opleving te
zien heeft gegeven. Indien men het aantal
studenten dat zich voor de studie Japans
jaarlijks aanmeldt als graadmeter gebrufkt,
is er zelfs sprake van een stormachtige ontwikkeling.
Het spreekt vanzelf dat ik deze ontwikkeling
van harte toejuich. In de contacten met Japan is de kennis van land, volk en de Japanse taal van uitnemend belang.
-36-
Gaarne spreek ik de hoop uit dat Tanuki op
zijn eigen wijze de belangstelling in Neder land voor Japanse zaken zal weten te stimu leren, hetgeen een verdere verdieping van
onze betrekkingen met dit fascinerende land
in de hand zal werken.
-37-
Dr. W. Dekker
Voorzitter Raad van Toezicht,
Gloeilampenfabrieken N.V.
Philips' -
Gaarne wil ik uw vereniging feliciteren met
haar eerste lustrum.
Ik heb begrepen dat
Tanuki reeds 200 leden telt.
Het bestaan en het groeiende ledental van
deze vereniging acht ik een bijzonder positieve ontwikkeling, die op termijn zeker
zal kunnen bijdragen aan de verbetering van
de relaties met Japan.
Zoals u wellicht weet heb ik voor m1Jn werk
bij Philips geruime tijd in Japan gewoond.
Ik heb dan ook minstens evenveel goede Japanse vrienden, als Philips Japanse concurenten heeft. En dat zijn er nog al wat,
zoals u weet.
Als persoon heb ik grote interesse in de
Japanse cultuur en als ondernemer heb ik
grote bewondering voor de industriële prestaties van Japan; minder lovend ben ik over
de Japanse bijdrage aan een gezonde wereldhandel. En in dit laatste sta ik niet alleen.
De voor de handelsbetrekkingen verantwoordelijke E.G.-Commissaris Willy de Clercq
zei nog onlangs: "De onevenwichtige handelsrelatie tussen Japan en E.µr.opa is ongunstig, teleurstellend en zorgwekkend".
Ik verwijs ook naar een artikel van James
Moorhouse, lid van het Europese Parlement,
in het augustusnummer
(vol.
7, no. 68,1986) van bet tijdschrift "Speaking of Japan". Het art ike 1 is getiteld "Right ing t .he
-38-
Balance - A new Agenda for Euro-Japanese
Trade!".
Het is een interessant artikel
omdat Moorhouse een ommekeer in zijn de-nken
beschrijft ten opzichte van de Japanse
import/export problematiek nadat hij zich
in de ernst van de situatie verdiept had.
"Elke spijker die uitsteekt, moet worden
teruggeslagen" is de gangbare uitdrukking
waarmee in Japan de relatie tussen individu
en groep wordt aangeduid. Symbolisch wordt
met zo'n uitstekende spijker dan ook ~e
"outsider" of "dissident" bedoeld. Volgens
Moorhouse heeft men soms het gevoel dat
deze uitdrukking ook wel eens op westerse
exportprodukten zou kunnen slaan.
Hoe dan ook, het unilaterale handelsverkeer
in de geselecteerde sectoren en het struc turele handelsoverschot van Japan op Amerika en Europa, vormen een bedreiging voor de
vrije wereldhandel. Wederkerigheid en wederzijds voordeel zijn het fundament van de
internationale vrijhandel en als zodanig
vastgelegd in de preambule van het GATTverdrag uit 1947. Als economische supermacht zal Japan ook de medeveantwoordelijkheid voor de wereldeconomie moeten aanvaar den die bij die leidende positie hoort.
_De buitengewone expertise die Japan heeft
ontwikkeld om planmatig zijn export te sti muleren zou het land kunnen aanwenden op
het gebied van importbevordering.
Voor het behoud van de vrije wereldhandel
is het van belang dat de Japanse economie
evenwichtig integreert in de wereldeconomie. Daarvoor zullen echter nog heel wat
culturele ' kloven overbrucht moeten worden.
-39-
En daar lijkt me een belangrijke taak voor
een vereniging als de uwe weggelegd.
Hè~ leren van de Japanse taal, het begrij_pe~ van de cultuurverschillen, het bestude- .
ren van de Japanse markt en het communiceren over de wederzijdse verantwoordelijkhe- .
den lijken mij evenzovele uitdagingen voor
uw vakgebied. Het belang van het vak Japanologie en uw vereniging is nu juist dat zij
een echte bijdrage kunnen leveren aan het
vergroten van het wederzijds begrip en vertr6uwen. Dit is, zoals wij uit onze lange
Philips ervaring weten, de basis voor elke
vorm van langdurige samenwerking met Japan- •
ners.
Tot slot: Gaarne wens ik u bijzonder veel
plezier bij uw lustrumviering, alsmede veel
succes bij uw studie en latere loopbaan.
Dit laatste, uiteraard in het bijzonder als
u uw kennis ~n kunde gaat inzetten voor het
verbeteren van
onze exportmogelijkheden
naar Japan. Want dat dit hard nodig is, dat
had u al van mij begrepen!
-40-
Unilever.
'nWereld wn Mogelijkheden. ·
[U]]
Al die mogelijkheden vindt u in ,,Perspectieven
voor Academici". Een uitvoerige brochure.
Bel 010-4644244 en vraag deze aan.
Dhr.
1987
A.G.
Karl,
lezing voor Tanuki 24 - 4-
Ik heb met zeer veel genoegen gehoor gege ven aan de uitnodiging om hier vanavond het
een en ander te vertellen over Japan. Ik
ben een handelsman en zal me dus voorname lijk beperken tot mijn praktische ervaring en en zaken.
Eén van mijn functies is die van Managing
Director bij Dujat
(Dutch Japanese Trade
Federation). Dujat is een stichting die in
1984 werd opgericht door een groep importeurs die zich zorgen maakte (en zich nog
steeds zorgen maakt) over het toenemende
protectionisme in Europa. Japan begint de
markt te openen, Japan begint liberaal te
worden, er worden alle mogelijke tariff
harriers en non-tarriff harriers afgebroken
en in Europa is men bezig dergelijke bar ri~res op te bouwen.
Een voorbeeld hiervan is de auto-import;
terwijl er in Japan geen importquotum voor
auto's bestaat en ook geen invoerrechten
over betaald hoeven te worden, is de import
in Europa alleen in West-Duitsland, Nederland en Belgi@ vr1J
(in Italië mogen er
zelfs maar enkele duizenden Japanse auto's
per jaar ingevoerd worden).
Dit toenemend protectionisme proberen wij
·een halt toe te roepen'. We proberen iets
te doen aan de vrije handel. Als wapen om
iets van de frictie tussen Japan en Europa,
en dan met name die tussen Japan en Neder land, op het gebied van de handelsbetrek kingen te verminderen (Nederland importeerde in 1986 ongeveer 4 maal zo veel uit, als
het exporteerde naar • ~apan),
hebben wij
-42-
gekozen voor de exportbevordering.
Naast de knelpunten die zodadelijk nog aan
de orde zullen komen, denk ik dat met name
ook de negatieve kritiek die in Nederland
de laatste jaren over Japan is verspreid
via de pers, naar aanleiding van uitspraken
van verschillende leidende industriëlen en
regeringsfunctionarissen, een slechte uitwerking hebben gehad. Slecht in die zin dat
ze de Nederlandse ondernemer ontmoedigd
hebben ook maar te proberen naar Japan te
exporteren.
Als we er de kaart eens bijpakken, zien we
pas over welk een afstanden we spreken, hoe
klein Nederland eigenlijk is in de wereld.
Het is dan ook niet zó verwonderlijk dat
niet iedere Japanner iets van Nederland
afweet. Daarom, en ik wil dit met name
kwijt aan de wat jongere mensen, vind ik
dat we in Europa toch moeten zorgen dat we
een gezamelijke kracht en macht gàan ontwikkelen waarmee we een groter platform
gaan krijgen van waaruit je een veel betere
onderhandelingspositie t.o.v. Japan inneemt.
Ons streven bij Dujat zal dan ook gericht
z1Jn op een nauwere samenwerking met andere
landen. Zo zijn we bezig met Belgische collega's een soort van "Bejat" op te richten
en hebben we contacten met de in Duitsland
opgerichte 'Deutsch-Japanischer Wirtchaftskreis'. Misschien zijn dat de landen die de
basis kunnen gaan vormen van wat eens mag
heten de "Eujat".
Een zeer ambitieus streven, ik weet het,
maar ik geloof toch dat we in Europa met de
vreedzame samenwerking die er in de afgelopen 30, 40 jaar is opgebouwd iets fantas -
-43-
tisch hebben ontwikkeld.
Voor potentiële exporteurs is er in Japan
een goede basis. Na de V.S.
is Japan met
, zijn 120 miljoen inwoners die een nog
steeds stijgende koopkracht genieten, van
de landen buiten Europa de meest interes sante markt. Ook de koersverhouding is de
laatste jaren zeer ten gunste van de Neder landers verbeterd (nl. met zo'n 50%). Ver der is de Japanse regering na de vele
klachten over de handelsbalanstekorten in
Europa en de v.s. overgegaan tot importbevordering uit vrees voor óf een 'sky-high'
koers van de yen óf protectionistische
maatregelen van het buitenland.
Eén van de cijfers die bijvoorbeeld voor
Nederland interessant zijn, is dat van de
Japanse voedselimporten. In 1984 bedroeg
dit in totaal$ 15.5 miljard. Hiervan was
slechts een relatief klein gedeelte vleesimport, en daar liggen dan ook nog geweldig
veel kansen voor de Nederlandse varkensexport. Verder zijn ook de vissector en groente- en fruitsector erg interessant.
Gelukkig kunnen we constateren dat de Nederlandse overheid bezig is de export naar
Japan te stimuleren, en dan vooral op het
gebied van die landbouwprodukten. Over het
algemeen kan men echter ook stellen dat de
totale uitvoer naar Japan beneden alle peil
ligt. Als we bedenken dat meer dan 50% van
ons nationaal produkt geëxporteerd wordt,
blijkt het aandeel dat voor Japan bedoeld
is nl. niet hoger dan 0,5% te zijn. Wat
blijkt is dat de traditionele instrumenten
(missies en beurzen e.d.) die men gehanteerd heeft niet voldoende zijn en men zou
dan ook moeten streven paar een veel pro-
•
-44-
fessionelere aanpak die projectmatig de
verschillende gebieden bestrijkt.
Een van d~ ' strevens van Dujat is ook om de
knowhow zoals die aanwezig is bij de importeurs uit Japan over te dragen aan mogelijke exporteurs, zodat deze hun kans van slagen aanzienlijk kunnen verbeteren.
Natuurlijk zijn er ook knelpunten in de
handel met Japan. De grote afstanden met,
maar ook die binnen Japan, kosten veel tijd
en geld. Dit wordt nog eens versterkt door
het feit dat de gemiddelde verblijfsduur
van een buitenlandse ondernemer om in Japan
zaken te kunnen doen vrij lang is~ Er bestaat nog steeds een aanzienlijke taalbarri!re; de meeste Nederlanders spreken geen
Japans terwijl de Japanse zakenman over het
algemeen een soort van "Japans-business
Engels" hanteert wat vaak zeer moeilijk te
verstaan is. Belangrijker is echter ook om
de juiste feeling voor de Japanse zakenmensen en zakenwereld te bezitten, dat je je
in kunt leven in hun zienswijze. Bij commununicatie-problemen kun je ook de indruk
krijgen dat de Japanner tegenover je, er
geen barst van begrijpt, maar dat zou een
grove onderschatting zijn aangezien de Japanners een intelligent volk zijn met een
zeer hoge scholingsgraad. Ongeveer een derde van de mensen die je in de bedrijven
tegenkomt is academisch geschoold.
Het beroemde Japanse besluitvormingsproces
met zijn concensus-gedachte is als je bij
een bedrijf binnenkomt vermurwend. Je moet
telkens opnieuw je verhaal afsteken tegenover mensen op alle hogere en lagere niveau's.
Het is ook een soort van selectie-proces
-45-
waar
je doorheen gaat, dat aan de andere
kant echter ook een goede voorbereiding is
voor nieuwe projecten en nieuwe relaties.
Het zorgt er tevens voor dat als er een
besluit genomen is iedereen van dit besluit
op de hoogte is en die 'trein' bijna niet
meer te houden is.
Het probleem met betrekking tot de distributiekanalen heeft velen er de laatste jaren toe gebracht dit een non-tariff barrier
te noemen. Feit is · inderdaad dat de weg die
een produkt af moet leggen van fabrikant
naar consument menige schakel meer bevat in
Japan dan in andere landen. Gelukkig zijn
er de laatste jaren nogal wat specialisten
geweest in Nederland die zich in deze materie verdiept hebben. Ook in Japan zelf zijn
er wat positieve ontwikkelingen gaande,
waarbij er meer department store- en super
market chains zijn opgekomen via welke de
distributie van buitenlandse produkten vereenvoudigd kan worden.
Als laatste is het ook goed zich te realiseren dat Japan op zich een zeer zware
markt is om op te opereren. Ook de Japanse
bedrijven kennen onderling een ontzettend
sterk competitie-element. De concurentie is
moordend waardoor je je als buitenlandse
ondernemer goed moet voorbereiden, je markt
goed moet verkennen, goede produktinformatie moet kunnen overleggen, er rekening mee
moet houden dat de verhouding kwaliteitprijs in Japan meer naar de kant van het
eerste neigt en men moet over een goede
after service beschikken. Onze boodschap
aan Nederlandse exporteurs is dan ook dat
als je in Japan kunt verkopen,
je over de
hele wereld kunt verkopen. Het is niet makkelijk, maar het kan! •·
-46-
Japan en de wereld
Dr. K.W. Radtk.e
was Japan in de eerste helft van de 19e
eeuw nog een vrijwel totaal van de buitenwereld ge!soleerde samenleving waarvan het
merendeel van de bevolking een bitter bestaan leidde, na de Tweede wereldoorlog
heeft het zich ontwikkeld tot een van de
belangrijkste pilaren van de wereldeconomie. Terwijl de tientallen jaren durende
Japanse agressie op het Aziatische vasteland - die tot 1945 duurde ongewild een be langri.jke factor was bij het tot stand komen van communistische staten in vastelands
Azi@ in China, Korea en Zuidoost-Azië-,
streefden naoorlogse
Japanse regeringen
naar grotere stabiliteit voor geheel . Azië,
en werd de steeds sneller groeiende economische macht het belangrijkste middel deze
doelstelling langs vreedzame weg in samenwerking met andere landen te verwezenlijk en.
De nationale ideologie was vb6r de Tweede
Wereldoorlog voor een lange periode overheerst door geloof in de rechtmatigheid van
Japanse aanspraken op een leidende rol in
Azië, zo niet zelfs buiten de grenzen van
Azi@.
Niet zelden gingen deze aanspraken
vergezeld van gevoelens van "superioriteit"
van het Japanse ras, en wees men op het onvermogen van andere Aziatische landen zoals
Korea en China op eigen kracht te moderniseren. Voor een gedeelte kunnen dergelijke
aanspraken ook verklaard worden door de
poging, toen bestaande Japanse minderwaardigheidsgevoelens t.a.v. technisch, econo-
-47-
misch en militair geavanceerde landen als
b.v. de Verenigde Staten en Engeland te
compenseren. Al vroeg poogde men in navolging van deze landen een eigen koloniaal
rijk in Azië op te bouwen; de annexatie van
Korea in 1910 stuitte nauwelijks op verzet
van de westerse mogendheden, zij werd echter de konkrete aanleiding tot steeds verdergaande pogingen de nieuw verworven kolonie te beveiligen door aangrenzende Chinese
provincies
eerst in Noordoost- China,
daarna ook in Noord- en Midden-China - onder economische, politieke en militaire
controle te brengen. Tegelijk streefde men
ernaar de invloed van de Verenigde Staten,
Engeland en andere mogendheden zoveel mogelijk te beperken, ondermeer door een versnelde uitbouw van de Japanse zeestrijdkrachten die een uitdaging voor de superioriteit van deze landen moest gaan vormen.
Het "actieve" (sekkyokuteki) buitenlandse
beleid van voor de oorlog vond een abrupt
e~nde met de bezetting door de geallieerde
strijdkrachten, de eerste bezetting door
een vreemde macht in de Japanse geschiedenis. De binding aan de Verenigde Statengesymboliseerd in het Vredesverdrag van San
Francisco en de Veiligheidsverdragen met de
V.S.- wekten vaak de indruk alsof het buitenlandse beleid van Japan nu niet meer in
TOkyO, maar in Washington gemaakt werd.
Japanse waarnemers drukten dat vaak uit
door op te merken dat de belangrijkste rol
van het naoorlogse Ministerie van Buitenlandse Zaken er in bestond, veranderingen
in het ' beleid van "Washington" op tijd te
voorspellen en te antio,j_peren. Het "passie-
-48-
de enorm
.toegenomen internationale rol van
de Yen.
Sinds het einde van de jaren zeventig verschijnen er steeds meer aanwijzingen dat
Japan zijn economische invloed in diverse
delen van de wereld zou kunnen gebruiken om
politieke doelstellingen na te streven. Men
hoopte b.v. door een sterke intensivering
van de contacten met de VR China - die
vooral na het aanknopen van formele betrek kingen in 1972 begonnen te bloeien - bij te
dragen tot grotere politieke stabiliteit in
de regio, in het bijzonder ook op het Koreaanse schiereiland. Samenwerking met de
landen van Zuidoost-Azië in de periode van
de Vietnam oorlog werd een belangrijk onderdeel van de pogingen uitbreiding van het
communisme in de regio tegen te gaan. In
het Midden-Oosten moest het beleid niet
alleen voor een ongestoorde toevoer van
olie zorgen, technische en economische samen~erking met landen als Iran, de Golfstaten en Saudi Arabië waren er ook op gericht de interne stabiliteit van deze lan den te bevorderen, ook al waren deze pogingen niet steeds door succes bekroond.
Vergeleken met het buitenlandse beleid van
andere economisch sterke landen speelt het
militaire potentieel maar een uiterst bescheiden rol in het Japanse buitenlandse
beleid. Hetzelfde geldt ook voor de Japanse
wapenproduktie; het ontbreken van een
grootschalige export van Japanse wapens
betekent tevens ·het ontbreken van een belangrijk ~middel,
betrekkingen met andere
landen langs deze weg te be!nvloeden.
Mocht Japan zijn beleid in deze in de toe-
-49-
ve" buitenlandse beleid op politiek terrein
en op het gebied van de nationale veiligheid leek alleen maar een reactie op wensen
die vanuit Washington aan het Japanse adres
werden gericht.
In plaats
zelfstandig
daarvan nemen
en
actief
wij een duidelijk
beleid waar op het
gebied van de interne en externe economie;
de toenemende Japanse welvaart en de handelsoverschotten met vooral de Verenigde
Staten hebben ertoe geleid dat de JapansAmerikaanse betr~kingen in de ogen van
velen overheersd .worden do-or de problemati~k van de handelsfricties (bOeki masatsu).
Het is natuurlijk ongetwijfeld juist dat de
betrekkingen met de Verenigde Staten nog
steeds de basis van het Japanse buitenlandse beleid vormen; het zou echter verkeerd
zijn de invloed van Japan's relaties met
Oost-Azi@ (vooral Zuid-Korea, Taiwan, Hang
Kong en de VR China), de niet-communistische landen van Zuidoost-Azië en het Midden
-Oosten te verwaarlozen. Bij elkaar overschrijdt de omvang van de Japanse handel
met deze regio's aanzienlijk die van de
handel met de v.s., en natuurlijk in nog
veel hogere mate de
relatief gezien- .
bescheiden omvang van de handel met de
niet-communistische Europese landen. Niet
alleen Amerikaanse beperkingen op import
uit Japan, maar ook veranderingen in de
handelsstromen met Zuidoost - Azië en het
Midden-Oosten hebben een zeer belangrijke
invloed op de Japanse strategie t.a.v. Europa als afzetgebied voor Japanse goederen.
De Japanse economie be!nvloedt echter ook
langs andere - wegen de. $ Europese, b.v. door
-50-
komst w1Jz1gen,
zal dit ook een drastische
verandering in het buitenlands beleid van
Japan in het algemeen betekenen.
Het lijkt soms alsof de "passieve" natuur
van het naoorlogse buitenlands beleid de
oorzaak is - van het feit dat de beschrijving
van dit beleid meestal vr1J vaag lijkt.
Kijken wij echter naar de vooroorlogse pe riode, die gekenmerkt was door een uiterst
"aktief" beleid, dan zien wij ook hier dat
het besluitvormingsproces vaak een chaotisch karakter heeft: enerzijds lijkt het
oprukken in China in de jaren dertig het
resultaat van bewuste plannen, anderzijds
worden belangrijke gebeurtenissen als de
oprichting van de marionettenstaat Manchu kuo in Noordoost-China en het begin van de
grootscheepse oorlog met China in 1937 toegeschreven aan incidentele gebeurtenissen
waarvoor in eerste instantie. plaatselijke
machthebbers verantwoordelijk werden ge steld. Op een hoger niveau is het niet duidelijk in hoeverre de keizer mede-verant woordelijk kan worden gesteld voor Japans
militair optreden, terwijl vaak geponeerd
wordt dat hij wel bij machte was de Japanse
oorlogsmachine na Hiroshima en Nagasaki te
bewegen, een vroeger einde aan de oorlog te
maken dan waartoe de politici en militairen
anders bereid waren geweest.
Het spreekt vanzelf dat een goed begrip van
het buitenlandse beleid alleen maar kan
groeien op basis van een grondige bestudering van alle beschikbare bronnen, vooral
natuurlijk ook van Japanstalige bronnenwaaronder ook persoonlijke memoires b.v. - ,
die tot dusver maar in relatief beperkte
-51-
mate door niet-Japanse historici zelfstandig z1Jn gebruikt. De bestudering van de
besluitvormingsprocessen in
het Japanse
buitenlands beleid lijkt niet alleen van
belang voor een beter begrip van de rol die
Japan in de wereld heeft gespeeld en nog
zal spelen; zij kan een belangrijke bijdrage leveren aan de poging de Japanse
maatschappij te begrijpen als é~n van de
vele mogelijke varianten waarop mensen hun
samenleving zowel geestelijk als in materieel opzicht kunnen organiseren.
-52-
Leven in Japan
Drs. J. Scholten
Toen mij gevraagd werd een bijdrage te le veren aan het lustrumboek van TANUKI, zegde
ik onvoorwaardelijk mijn medewerking daar aan toe. Maar toen ik hoorde over welk the ma ik dan wel gedacht werd te schrijven,
zakte ik bijkans door mijn stoel: "Over het
leven van buitenlanders in Japan."
"Is er wel leven voor buitenlanders in Japan?" was dan ook mijn eerste reactie, want
de Japan Times en dergelijke kranten staan
altijd vol met vinnige ingezonden stukken
van gefrusteerde buitenlanders voor wie het
verblijf in Japan inderdaad een grote trau matische ervaring lijkt te zijn. Ik word
daar altijd zo moe van. Voor mij is Japan
zelf veel en veel interessanter dan de bijkomstige praktische problemen die mijn aan wezigheid aldaar met zich meebrengt.
Maar kennelijk geeft het feit dat er zoveel
over geschreven wordt toch aan dat die aanwezigheid van buitenlanders in Japan door
beide partijen niet altijd als vanzelfsprekend ervaren wordt. Zonder te willen zeggen
dat het hier in Nederland veel beter is,
valt het niet te ontkennen d a t je in Japan
de hele dag door aan je vreemdelingschap
herinnerd wordt: als je
's ochtend$ vroeg
weer eens op straat wordt aangehouden door
een agent die je registratiebewijs wilt
zien (ik ben ook eens een keer ondervraagd
door een agent die kennelijk zelf no ~ .nooit
zoiets in handen had gehad en nota bene van
mij moest horen waar je dat halen kon en
hoelang het geldig was en zo. Hij probeerde
- 53 -
ook of hij de Engelse titel kon lezen en
uit het hoofd opzeggen. Na twee, drie mislukte pogingen slaagde hij er in: "Certificate of Alien Registration, Certificate
of.,."); als je van een makelaar te horen
kr".i j.gt dat de flat die je op he't
oog hebt
niet aan buitenlanders wordt verhuurd ( Het
was meestal nutteloos te verduidelijken dat
je voor een eerzame instelling als het Japan-Nederland Instituut werkte,
want dat
kende toch geen mens, of ze verstonden Nichiren Gakkai in plaats van Nichiran Gakkai, en dachten dan dat het een of andere
obscure religieuze organisatie was
); als
je een warenhuis uit moet vluchten, ach.;..
tervolgd . door een horde "Kawaii! "Kawaiil"
gil-lende schoolmeisjes die je kind over
zijn . bol willen aaien ( Iedereen neemt ook
maar meteen aan dat je uit Amerika komt,
dus begonnen ze altijd in het Engels tegen
hem te praten, waar hij natuurlijk geen
woord van· begreep, zodat hij een keer wanhopig zijn handen ophief en antwoordde:
"Wakaranai!" ); als je in een restaurant
van je bord opkijkt en bemerkt dat het voltallige bedienend personeel naar
je staat
te staren ( Als ze voor de zoveelste keer
vragen of je met stokjes kunt eten, moet je
eens terugvragen of ZlJ met mes en vork
kunnen eten); als je 's avonds laat op een
verlaten station het mikpunt wordt van een
dronken kerel ( Die achteraf bekeken overigens best meeviel en die ondanks, of dankzij, zijn kennelijke staat verrassend goed
_Jfpgels beheerste en toen hij hoorde dat ik
·uit Nederland kwam niet alleen op de hoogte
bleek te zijn van het feit dat wij enige
dagen daarvoor een nieuwe koningin hadden
gekregen, maar bovend'"i.èn met een enkel
-54-
treffend woord en handgebaar z1Jn mening
omt'rent haar kenbaar wist te maken en verder zijn voorliefde uitsprak voor koningin
Wilhelmina).
Ik weet het, het is niet altijd kwaad bedoeld, maar je wilt toch ook
wel eens in staat zijn onopgemerkt en ongestoord door de stad te lopen.
Natuuilijk i5 er ook
een keeizijde
van de
medaille, de positieve discriminatie. Ja panners zijn een vrijgevig volk en voór
buitenlandse gasten doen ze er graag nog
een schepje bovenop. Maar ook hier is het
oppassen geblazen. Het uitwisselen van geschenken is een nauwkeurig gerégeld gebruik
in de Japanse samenleving, en als je die
rege~s -biet kent, kan de zaak licht uit de
hand lopen. Zo ben ik eens in een zich
steeds verder escalerende cadeautjesslag
gewikkeld geraakt met een mij verder volslagen onbekende Japanse familie die aan
. het tafeltje naast het onze had plaatsgeno men. Het begon met het zenden van foto's
van de kinderen, en een theelepeltje met
een Hollandse molen of klompjes als dank in
retour, en het eindigde met levensgrote
poppen, luxe fotoalbums en zware gietijzeren asbakken. Die dingen werden dan ook nog
bij voorkeur op zondagochtend vroeg per expressepost bezorgd, dus als je om half acht
uit je bed gebeld werd, wist je dat de familie Kitamura weer had toegeslagen.
Zelfs toen ik al weer terug was in Nederland werd ik nog eens getroffen door een
nieuw biljet van tienduizend yen, maar toen
had ik de strijd om ooit op gelijke voet te
komen al lang opgegeven.
Ook op immaterieel gebied zijn de Japanners
- 55-
vrijgevig. Je wordt al gauw beladen met
complimentjes als je ook maar een paar
woorden Japans spreekt als buitenlander. En
dat je een buitenlander bent zien ze natuurlijk onmiddelijk, want met ~en rode
baard heeft het weinig zin vol te blijven
houden dat je een Japanner bent. Hoogstens
voor de telefoon kun je iemand nog wel eens
voor de gek houden, en dat is dan ook heel
bevredigend, al gebeurt het dan ook wel dat
ze je opeens niet meer verstaan zodra ze je
naam horen. Maar zelfs die complimentjes
gaan op den duur vervelen, want ze scheppen
toch een zekere distantie en je wilt toch
ook wel eens gewoon antwoord op je vraag,
in plaats van te horen krijgen dat je hem
correct geformuleerd hebt.
Kortom, of het nu op aangename of onaangename wijze gebeurt, in alle mogelijke situaties wordt je er van bewust gemaakt dat je
een vreemdeling bent en een vreemde taal
spreekt. En tot op zekere hoogte kan dat
ook wel nuttig zijn. Maar op een gegeven
moment wordt het hinderlijk als daar steeds
maar weer bij stilgestaan wordt. Dan doet
dat bewustzijn afbreuk aan de spontaniteit
van het onderlinge contact en belemmert het
ons zelfs door te dringen in datgene wat
van universeel belang is. Het klinkt mis schien wat hoogdravend, maar volgens mij is
het, met termen uit het Zen-Boeddhisme, een
.kwestie van ushin no shin, de geest die
zich van zichzelf bewust is en stagneert,
tegenover mushin no shin, de geest die zich
niet van zichzelf bewust is en vrijelijk
kan b~wegen.
Daarom wordt
ik ook
-
altijd zo
-·56-
moe van al
die stukjes over het leven van buitenlanders in Japan, omdat ze een tegenstelling
oproepen die weliswaar bestaat, maar die
mijns inziens niet essentieel is en die ons
afhoudt van zaken die veel leuker en interessanter zijn. Als je dus naar Japan gaat,
besef dan in eerste instantie dat je een
buitenlander bent, maar vergeet het dan ook
weer. Hopelijk doen anderen dat ook.
-57-
De rol van de Japanner in Nederland
M. Kunimori
Sinds een aantal jaren hoort men in Japan
overal de kreet "internationalisatie". De
sinds honderd jaar succesvolle slagzin 'Wakon - yosai'
(Japanse geest en westerse
kennis) werkt niet meer en als het zo doorgaat zou'Wakon' zelfs vervangen moeten wor den door 'YOkon' (Westerse geest). Op dit
ogenblik zijn er ca. 500.000 'Wakon' in het
buitenland; in Nederland zijn er 2669 (aantal per oktober 1986). Er zijn tachtig Japanse dagscholen in de verschillende landen
in de wereld. Een ongekende situatie, waarin al die 'Wakon' min of meer te maken
krijgen met een identiteitsérisis. Vandaar
die kreet ~internationalisatie".
Ik heb beloofd iets te schrijven over de
roru van de Japanner in Nederland. Na een
aantal pogingen: de tong plakt tegenstribbelend hier en daar in de mond, krult on willig naar achteren, wipt ongehoorzaam
alle kanten uit, schiet opeens omhoog: lol,
ror, lor, rol ....... Helemaal uitgeput komt
de Japanse tong terug op zijn vertrouwde
tongpositie, waar de Japanse ra-ri-ru-rero-klanken vandaan komen,
'roru'. Nou het
kan me geen roru scheren, ik bedoel schelen.
Ik zou moeten beginnen met een speurtocht
naar mijn roru hier in Nederland. Introvert
als ik ben, heb ik me gewoontegetrouw eerst
laten wegzakken in het moeras van het woord
'roru', waarvan de uitspraak zelf al een
gedrocht vanjewelste is voor een Japanner.
Iedereen . bepaalt voor zichzelf bewust of
onbewust een plaats, eaR roru in deze we -
-58-
reld,
een soort identiteitshandeling dus.
Daar dit een van mijn geliefkoosde onderwerpen is, denk ik er geregeld over na.
Nadat ik m1J keurig gedeconstrueerd heb
zoals het tegenwoordig hoort en al mijn
klassebewustzijn,
ressentiment, onderbewustzijn, cultuurbeperktheid etc. de revue
heb laten passeren, zet ik mijzelf weer
netjes in elkaar en ontwa-ak zoals altijd
ontgoocheld en somber uit deze mijmering.
Het lijkt mij dat al deze. interpretaties
over de identiteitshandeling, d.w.z. over
jezelf, op zich weer een identiteitshande~
ling,
nl.
'zelfverdediging uit noodweer'
zijn. Zodoende kom ik weer uit op het be ginpunt en is de roru er af~
In tegenstelling tot het feit dat veel Nederlanders denken dat eeri 'Wakon' in Nederland hier Japanziel alleen is en van binnen
diep verscheurd wordt door een onoverbrugbare . kloof tussen Oost en West,
zie ik wat
dat betreft diep in mezelf geen schrille
tegenstelling. Ik vergeet natuurlijk nooit
de cultuurschokken die ik hier heb meegemaakt; een paar dagen na mijn komst, toen
ik op straat liep, vroeg een Nederlander
mij,. een buitenlander, de weg! Toen mijn
fiets bijna tegen een andere fiets opbotste
schreeuwde de fietser, een meisje(!), tegen
mij _: "Debiel"! · En ook dat gevoel van machteloosheid toen het was alsof alle kennis
die ik in Japan had vergaard door de taalbarrière tot nul was weggezakt. Al met al,
toen ik voor het eerst hier kwam, zag alles
er precies zo uit als ik had gedacht. Net
zoals mijn leeftijdgenoten ben ik opgegroeid met Sneeuwwitje en Roodkapje en in
.mijn gedachten zag ik straten en stegen met
-59-
kerken en kastelen op de achtergrond. Ik
, ias liever westerse romans, zij het in Ja ".- panse vertaling, dan al die stoffige Japan se meesters. En ik zal nooit vergeten hoe
mooi en geheimzinnig de in het Japans ver taalde zinnen zoals "aujourd'hui, mama est
morte ... ","es war spätabends, als K. ankam
... " klonken.
Ik ben geenszins van plan om het verschil
tussen Japan en Nederland te bagatellise ren, noch om mijn Japans - zijn uit te wissen
en evenmin om steeds weer in mijn Japanse
schulp te kruipen. Ik wil alleen voor de
verklaring van m1Jn identiteitshandeling
bij voorkeur geen beroep doen op het wapen
van het Japans - zijn, want dat verklaart
slechts mijn testimonium paupertatis. Om
dingen te interpreteren heeft men een wapen
nodig. Ik betrap me er op dat ik dingen
bewust of onbewust verklaar op grond van
het Japans-zijn, het Nederlands - zijn etc.
omdat dat het meest voor de hand liggende
wapen is om naar te grijpen.
Natuurlijk moet ik ook toegeven dat ik als
taaldocent Japans mooi buiten het gevaar
van een identiteitscrisis blijf; met al die
Japans sprekende Nederlanders om me heen
komt mijn 'language ego' nooit in het geding. En ondanks de mening van Erasmus over
leermeesters: "Het rampzaligste, ellendig ste mensenslag", heb ik roru in het lesge ven. Zolang ik zo in m1Jn roru blijf, kan
mij niets gebeuren. Ik denk echter dat de
roru van een mens zich manifesteert wanneer
hij er diep in zijn hart naar blijft zoeken
in Goethe's geest van "es irrt der Mensch,
solange er strebt", en dAt zal ik blijven
doen.
De roru van de Japanner bestaat wel dege -
-60-
lijk, zolang hij met die identiteitshandeling doorgaat. Laat hij tenminste proberen
zich niet al te gauw met dat wapen van het
Japans-zijn te verdedigen, ook al doet hij
dat uit noodweer.
En ik,
ik ga vrolijk door met met de uitspraakoefeningen van roru en geef mij weer
over aan mijn mijmeringen.
-61-
Kunstgeschiedenis en materiële cultuurkunde van
Japan - een beknopte inleiding.
Prof. Dr. W.R. van Gulik
De vroegste artistieke getuigenissen van de Japanse
materiële cultuur zijn terug te voeren naar de prehistorie van Japan, omstreeks negenduizend jaar
geleden. In deze periode ontwikkelt zich de zgn.
Jomon cultuur, genoemd naar de vroegst bekende
voorbeelden van ongeglazuurd aardewerk met in
het algemeen eenvoudige versieringsmotieven verkregen
door het afdrukken op de kleiwand van gevlochten
koorden van rijststro (jömon, lett: 'koordpatroon').
Culturele invloeden van het vasteland van Azië
deden zich gelden in de navolgende Yayoi periode
(ca. 3e eeuw v. Chr. - ca. 3e eeuw n. Chr.) toen
behalve de methode van natte rijstbouw, ook de
technieken van brons.- en ijzerwerk in Japan werden
geïntroduceerd. Een belangrijk element in deze
culturele beïnvloeding vormde de introductie vanuit
China in Japan van het Boeddhisme, in de loop
van de zesde eeuw. Boeddhistische architectuur,
beeldhouwkunst en schilderkunst genoten de bescherming van het keizerlijk hof en kwamen vooral
gedurende de achtste eeuw tot grote bloei.
Voor de invoering van het Boeddhisme in Japan
bestond er reeds een inheemse soort van geloof ssysteem in Japan: Shintö, oftewel de 'weg der goden
(kami)'. Door de eeuwen heen heeft Shintö bijgedragen
tot de integratie van velerlei cultuurelementen
in Japan. Door Shinto heeft het Japanse volk van
oudsher uitdrukking kunnen geven aan de binding
met de natuur en aan de inspiratie tot het scheppen
van kunstvoorwerpen van indrukwekkende schoonheid"
De aanpassing en verwerking van uitheemse cultuurelementen hebben in de Heian periode (794-1185)
geleid tot ontwikkeling van een meer eigen Japanse
· cultuur die vooral in de ku111st op kenmerkende wijze
-62-
tot uitdrukking werd gebracht. Er ontwikkelde
zich, een Japanse stijl in de ar chi tectuur, in de
t~dînieken van houtsculptuur, in de schilderkunst
(Yamato-e) en i!'"l lakwerk.
Met de opkomst van een 'krijgsadel', de nieuwe
heersende klasse der samurai, werd gedurende
de twaalfde en dertiende eeuw het feodale tijdperk
in · J2-.pan ingeluid waarbij nieuwe impulsen tot
stand kwamen voor de kunst en cultuur, vooral
onder invloed van de Zen sekte van het Boeddhisme.
Zo werden bepaalde esthetische waarden tot uitdrukking gebracht in velerlei vormen van de Japanse
kunst zoals bijvoorbeeld de architectuur, de schilderkunst en de keramiek kunst. In de ontwikkeling
van de rituele theeceremonie (chanoyu) waarbij
ingetogenheid en rustieke eenvoud een belangrijke
rol spelen komen deze esthetische waarden tot
uitdrukking, vooral in de stijl van het theegerei
en de theekommen. Vergelijkbare voorbeelden van
esthetische stijl weerspiegelen zich in de ontwikkeling van de kunst van het bloemschikken (ikebana)
en in het No-theater. Het is de verfijnde eenvoud
in de kenmerkende decoratieve stijl van de Japanse
materiële cultuur die in veler lei opzichten tegemoet
kwam aan de Europese smaak en waardering.
Gedurende de Edo periode (1603-1868) kwam de
Japanse kunst en volkskunst (mingei) tot grote
bloei. De opkomst en ontwikkeling van een nieuwe
typische stadscultuur in de snel groeiende grote
steden van Japan, heeft op duidelijke wijze bijgedragen tot velerlei voor deze periode kenmerkende
vormen van beeldende en toegepaste kunst. In
dit verband moet vooral de Japanse prentkunst
worden genoemd die in de laat negentiende eeuw
zoveel belangstelling ondervond
bij de Impressionistische kunstenaar-schilders in Europa. Ook ·
thans genieten de Japanse kleurenhoutsneden, de
prenten van de acteurs uit het populaire Kabuki
-63-
theater en de landschapsprenten, grote bekendheid
in de wereld.
In de Edo periode, toen Japan zich gedurende lange
tijd voor de buitenwereld had afgesloten, vormde
de Hollandse vestiging Deshirna in de baai van
Nagasaki het enige venster van Japan op de wereld
daarbuiten. Via de Hollanders werd kennis genomen
van de Westerse cultuur op grond waarvan ook
in de Japanse kunst de nodige invloeden hebben
plaatsgevonden, zoals bijvoorbeeld in de toepassing
door sommige Japanse schilders van westerse schildertechnieken.
Nadat in de tweede helft van de negentiende eeuw
de grenzen van Japan voor de buitenwereld geheel
werden opengesteld, ontwikkelde het land zich
snel tot een moderne 'westerse' natie. Thans heeft
Japan volledig toegang tot de beide culturele werelden van Oost en West, op het gebied van de kunst,
muziek en de literatuur, alsmede op het gebied
van voedselgewoonten, kleding en andere aspecten
van het moderne dagelijks leven. De Japanse cultuur
en samenleving worden bij voortduring beïnvloed
in het ontwikkelingsproces tot internationalisering.
Veranderingen in levensgewoonten, in de kwaliteit
van het bestaan, in de · sociale organisatie en in
het beeld van de wereld, zijn snel tot ontwikkeling
gekomen naast het behoud van vele traditionele
normen en waarden die nagenoeg onveranderd zijn
gebleven in de Japanse samenleving.
Ook in het hedendaagse Japan is
op die. ~wijze
sprake van aanpassing en verwerking van elementen
op cultureel gebied als ook op het terrein van
de kunst en de materiële cultuur, waarbij traditie
en vernieuwing op boeiende wijze in de moderne
tijd blijven doorwerken en voortbestaan.
t,
-64-
Japanse studiën en de culturele
anthropologie
(Recente ontwikkelingen)
Dr . J .G ; van Br-e me n
EGJS-NGJS
"Sinds de studie van menselijke samenlevingen een w~tenschap werd, . J{ènmerkt haar ontwikkeling 'zich door een vertakking in een
veelheid van specialismen: _Thans houden
[tal van deskundigen] ziçh bezig met het
beschrijven en verklaren van verschillende
aspecten der sociale en culturele werkelijkheid. Hierbij laten ze zich maar gedeeltelijk leiden door gemeenschappelijke
theoretische uitgangspunten, begrippen en
methoden. In plaats van zich te richten op
wat hen bindt, cultiveren zij vaak wat hen
van elkaar scheidt."{1}
Dit citaat is ontleend aan een beschouwing
over ontwikkelingen in de maatschappijwetenschappen en dateert van 1979. Dat er
inmiddels in Nederland en elders ook ontwikkelingen zijn naar integratie, met name
van sociologie, anthropologie en geschiedenis, is onlangs geconstateerd door Ton
Zwaan. { 2}
In de Japanologie deden zich, al vroeg in .
de jaren zeventig, opmerkelijke beweginge~
tot toenadering en samenwerking voor. In
Japan werd The Japan Foundation in 1972
gegrondvest, met het oogmerk de Japanse
studi~n in binnen en buitenland te bevorderen. In Noord-Amerika verscheen herfst 1974
het eerste nummer van The Journal of Japanese Studies.
In Europa kwam Het Europees
Genootschap voor Japanse Studiën (EGJS) in
1972 tot stand. Josef Kreiner gaf er deze
verklaring voor:
"While the European pioneers in this field
-65-
had intensive and often personal contacts
with each other across the national boundaries, with the founding and growing of institutes, seminars and chairs at universities, these ties tended to be weakened and
a number of seperate and even isolated centers of academie learning carne into existence. In recent years this · trend was reversed. The feeling for the need of a closer cooperation of scholars interested in
the field of Japanese Studies and more contacts between them grew into attempts of
collaboration on a national or regional
level."{3}
Met de EGJS is deze wens goeddeels vervuld,
en dat komt ondermeer tot uitting op de
driejaarlijkse "International Japanese Studies Conference" van het Genootschap. Het
EGJS heeft er eveneens toe bijgedragen dat
Japanse Studi~n ook op nationaal niveau
werden gebundeld. Hiervan getuigen de nationale genootschappen die in de zeventiger
jaren tot stand kwamen. Zo werd Het Nederlands Genootschap voor Japanse Studiën
(NGJS), The Netherlands Association for
Japanese Studies (NAJS), op 30 juni 1977 in
Den Haag opgericht.
JAWS
Op regionaal niveau tekent zich inmiddels
ook samenwèrking af. Zo in The Japan Anthropology Workshop (JAWS), een verband dat
in 198 4 door Eur.opese anthropologen werd
aangegaan. De krachten achter die ontwikkeling verschilden niet van die welke tot het
grondvesten van het EGJS en de nationale
genootschappen voerden. Dat komt duidelijk
naar voren in een convocatie die in 1983
aan anthropologen in · Europa uitging. Zij
-66-
werden opgeroepen om in maart 1984 deel te
nemen aan de Social Anthropology of Japan
Conference te Oxford, de bijeenkomst als ·
een proef te beschouwen en te oordelen over
de wenselijkheid om samen te werken. Joy
Hendry schreef:
"The wide field of interest [dat ons samenbindt] is the social anthropology of Japan,
and it is hoped that we may discuss various
aspects of our particular contribution to
Japanese studies and to our own field. Several of us have found that we rarely · come
into contact with others with a similar
approach and it seemed a good idèa, th~refore, to try and arrange an opportunity to
exchange ideas.
If the respons is good, it
should be possible to publish a collection
of the papers we present, and we could also
think of forming ourselves into an association so that we may arrange future meeting_s
and publications."{4}
Het besluit viel om de "workshop" voort te
zetten, bij voorkeur als geaffilieerde van ,
het EGJS. JAWS werd door het EGJS als 'corporate member' erkend. {5}
De workshop komt eens in de achtien maanden
bijeen, afwisselend op de conferenties van
het EGJS en als groep alleen. De tweede
JAWS conferentie vond dan ook in 1985 op de
Vierde Internatinale Studies Conferentie
van het EGJS te Parijs plaats. De derde
conferentie van de workshop is in april
1987, te Jerusalem. In 1988 komt men weer
samen op de (vijfde) EGJS conferentie aan
de Universiteit van Durham.
De conferenties van de workshop zijn thematisch gericht. Als voornoend, was het eerste thema, de "Social Anthropology of Japan". Voor Parijs werd "Communication" ge-
-67-
kozen. Het onderwerp te Jerusalem is, "The
Contribution of Japanese Studies to Anthropology". ·
Twee keer per jaar verschijnt de Japan An thropology Workshop Newsletter. De workshop
streeft ernaar ook de conferentie bijdragen
te publiceren. Van de eerste conferentie
verschenen ,er twee in een Japan nummer van
het Journal . of the Anfhropological Society
of Oxford (JASO), Volume XV, No. 2 (1984).
De andere werden gebundeld en verschenen in
1986 als JASO Occasional Papers No.
5, met
de titel Interpreting Japanese Society: Anthropological Approaches, onder de redactie
van Joy Hendry en Jonathan Webber.
In de nabije toekomst valt wellicht een
uitbreiding te verwachten van het netwerk
waarin de Japan Anthropology Workshop functioneert. In Noord-Amerika is Ted Bestor
doende om een organisatie van anthropologen
en sociologen in het leven te roepen,
soortgelijk aan JAWS, waarmee samenwerking
wordt beraamd. {6} JAWS is
in Japan vertegenwoordigd en ook het verdiepen en uitbreiden van die contacten wordt nagestreefd-.
-68-
{1}
•
j-2}
{ 3}
"Redactioneel", Symposion, I/ 1,2/
1979, p. 3.
Ton Zwaan,
"Sociologie, antropologie
en geschiedenis. Recente ontwikkelingen in Nederland", Skript, Jg. 6,
No. 2, 1984, p. 69-82.
Newsletter of the European Association
_for Japanese Studies, No. 1, 1984,
p. 9.
Eerste brief, 1983, van Dr. R. Joy
Henry (Local Organiser).
{ 5}
Japan Anthropology Workshop Newslet
. ter, No. 1, 1984, p. 9.
{6}
Japan Anthropology Workshop Newslet _
ter, No. 5, 1986, p. 5;
Joy Hendry,
"Japan Anthropoly Workshop", Journal of Japanese Studies,
Vol. 12, No. 2, 1986, p. 431.
(N.b.: in Hendry's mededeling is een
fo~t geslopen. De conferentie over de
"Social Anthropology in Japan" vondt
plaats in· maart 1984, en niet in 1983
zoals in de tweede regel staat ver
meld.)
{ 4}
-69-
oranda Mura
Maaike Boots
Wie zou er niet eens een jaartje in Japan
willen wonen, werken, studeren, kortom willen leven? Ik denk dat iedere (toekomstige)
Japanoloog toch wel met die droom in z1Jn
achterhoofd aan de studie begint. Om in
aanmerking te komen voor een beurs van het
·Monbusho, dan wel de Rotary Club, of èén
van de andere instanties, dienen maanden,
jaren van voorbereidingen getroffen te worden. Toch is het vooral aanbevelenswaardig
ergens halverwege de studie ter plekke een
dieper kijkje te gaan nemen op het object
van de studie.
Daarom had ik na twee jaar studie van de
taal en cultuur van Japan een reisje gepland in de zomervakantie. Het was van tevoren al duidelijk dat dat helaas geen mogelijkheden zou bieden, een êcht inzicht te
krijgen in de hedendaagse Japanse taal en
maatschappij. Ik was gedoemd me te beperken
tot een bezoek aan de toeristische plekken
en enkele adressen van via-via-vrienden en
kenissen. Daarom kwam het verzoek van Nagasaki Holland Village (NHV) aan de Universiteit van Leiden om enige studenten beschikbaar te stellen voor een 'stage' in Japan
precies op het goede moment.
NHV, een Japanse firma, bestond reeds sinds
19~3, maar was ondertussen al gestadig aan
het uitbreiden. En in hun beleidsplannen
was ook plaats gemaakt voor culturele uitwisselingen. Het voorstel zag er aantrekkelijk uit; zij zouden o,n5 -een groepje van 9
-70-
uitverkorenen (er waren niet eens meer gegadigden}- een retourvlucht Nederland-Japan, verblijfskosten en een geringe vergoe ding per gewerkte dag bieden. Daar tegeno ver stond dat wij ons beschikbaar zouden
moeten , stellen om representatief werk te
verrichten voor NHV, hetgeen in beginsel
voornamelijk inhield in Volendammer klederdracht door het dorp te lopen en met de
bezoekers op de foto te gaan. Wij, 9 meisjes tussen de 20-25 jaar, vormden de eerste
groep die als een soort proefkonijnen door
NHV voor een jaar waren gecontracteerd.
Hoewel ons contract slechts een oboegaki
(soort richtlijn} was, hebben we het pas na
enige maanden verbljf in Japan, toe er zich
problemen begonnen voor te doen, getekend.
De organisatie is vanaf het begin aan rommelig, om niet te zeggen slecht geweest. De
begeleiding, zowel van de kant van de vak groep, als van de kant van NHV, liet veel
te wensen over. Het kwam voornamelijk op
eigen initiatief aan. Voor NHV had dit
vooral te maken met onervarenheid. Zij had den de zomer ervoor dan ook al twee Leidse
stude,ntes na enkele maanden totaal wanhopig
moeten laten vertrekken. Die twee meisjes
hebben daarna op eigen verantwoording nog
voor langere tijd een verblijf elders in
Japan kunnen bewerkstelligen. Die mogelijkheid zat er voor ons niet meer in, daar NHV
als onze hoshohin garant stond. Dus stoppen
zou betekenen terug naar Holland, en dat
was iets waar we geen van alle~ behoefte
aan hadden.
Na enige chaotische toestanden vooraf, vertrokken we dan op 17 juli, 1986. De Korean
Airlines (de goedkoopste!} bracht ons via
-71-
Parijs, Anchorage en een overnachting in
Seoul, naar Japan, alwaar we op de 21e in
Fukuoka an: i veerden, oe lie w,:1.6 opening v.::u-1
'Willemstad', het tweede gedeelte van Oranda-Mura, de stedelijke zone, naast de eerste maritieme zone
'Bloemendam'. Dat was
het begin van de zomervakantie in Japan,
hetgeen betekende 6 weken, 6 dagen per
week, werken in een zeer vochtig klimaat,
temperaturen boven de 35 graden Celsius en
ca. 15.000 bezoekers per dag. Er was een
rooster gemaakt, zodat we verdeeld werden
over 8 'main-points' in het dorp. Zo was er
bijvoorbeeld de ingang, waar je de hele dag
"Irasshaimase" mocht zeggen en de mensen
een folder in hun hand probeerde te drukken. Er was de zogenaamde 'douane', waar je
de paspoorten die als entreebewijs werden
afgegeven, moest voorzien van de eerste in
de rij van 10 stempels, die de bezoekers
moesten zien te vergaren om bij de uitgang
een leuk kinenhin in ontvanst te mogen ne men. Of je moest een hele dag in een miniatuur-Madurodam
achter een draaiorgeltje
staan, tot de "Tulpen uit Amsterdam" en de
"Yellow Submarine" je tot •.. , ja daar kwamen. Maar toch was dat ook wel weer leuk op
te lossen door af en toe zo'n lief, popperig Japans meisje te laten draaien, waarna·
er zich al snel een r1J van orgeldraaiers
achter haar opstelde. Ook het marktplein
was geliefd (onder de bezoekers dan). Voor
ons rvugakusei was het op topdagen zo'n
800-1000 keer poseren en kostte het een
kwartier om je naar de w.c. te werken om
even bij te komen.
De plekken die vooral mij wat meer bevielen, waren de boerdei.-1.J waar kaas · verkocht
-72-
werd en je jezelf -toch nog- nuttig kon
maken in de verkoop, én het museum. Dit
laatste was ook één van de weinige plekken
waar je enige Japanse collega's kon vinden
met een wat hoger opleidingsniveau. Ook op
de 'Prins Willem', een replica vaü--één - van
de schepen van de VOC die Japan hadden bereikt, was het aangenaam te vertoeven. Het
werd vooral wat interessanter toen we in
staat waren, een kleine rondleiding te ge ven en wat meer informatie te verschaffen
aan de bezoekers die daarin ge!nteresseerd
waren.
Wat ook heel belangrijk was, was een goed
contact met je Japanse collega's met wie je
een redelijk conversatieniveau op kon bouwen.
Zo ging de zomer voorbij en werd het
herfst. Helaas was er nog niets van de ons
beloofde lessen in Japanse cultuur
e.d.
tereçht gekomen. Uiteindelijk heeft NHV, en
m.n. de gyOmu. die het weer uit handen gaf
aan zijn buchO, die het weer uit handen gaf
aan zijn kakari-chO, waar wij onder vielen,
ervoor gezorgd dat we lessen konden volgen
in shQji, en tegen vergoeding,
in de geschiedenis en het bespelen van het traditionele Japanse muziekinstrumenten de Koto
en de Shakuhachi. Bovendien hadden we contacten gelegd met een internationale economiestudentenvereniging, de AIESEC, aan de
Universiteit van Nagasaki. Slechts enkele
écht ge!nteresseerden van ons, zijn de studiebijeenkomsten over TaiheiyOjidai blijven
volgen. Na bezoeken aan zo goed als alle
privé-universiteiten van Nagasaki, hadden
we er één gevonden die ons vanaf april (de
start van het Japanse schooljaar),
in de
-73-
gelegenheid
wilde stellen, hoorcolleges
naar keuze ~e volgen.
Ik moet zeggen dat
ik, hoewel het maar zo kort was, er toch
zeer : goede herinneringen aan heb.
Ik heb
colleges gevolgd in o.a.
internationale
betrekkingen, bedrijfskunde, computerkunde
en de Japanse cultuur. We hadden echter
maar drie dagen per week beschikbaar en er
ging heel wat tijd verloren aan het heen en
weer reizen per boemelbus van Seihi-chO
(NHV) naar Abamachi (de universiteit), zo'n
5 uur per dag. Seihi-chO lag n.l. zo'n 30
In noordelijke richkm. van Nagasaki af.
ting lag de plaats Sasebo, waar de sfeer
bepaald werd door de aanwezigheid van veel
Amerikanen, omdat er een militaire basis
lag.
Deze stad was bereikbaar met een speedboot,
de Airport-liner, die een fantastisch mooie
route aflegde via de Omura - baai waar NHV
aanlag, onder de Saikai-brug door (in een
nationaal park gelegen), naar de haven van
Sasebo. De natuur in de omgeving is echt
fantastisch mooi. Vooral de wisseling van
de seizoenen, die wij allen mee hebben mo gen maken, kon je niet onberoerd laten: d~
zinderende zomerse hitte, de rode gloed van
de herfstbladeren over de bergen, zelfs wat
sneeuw rond shOgatsu, en dan de onbeschrij velijke schoonheid van de kersenbloesems,
begin april, zijn slechts enkele hoogtepunten.
We hebben uiteraard ook allemaal de gelen heid gehad om een maand vakantie op te ne-
men.
Ik heb die benut door liftend en ge -
bruikmakend van het wijdverbreidde jeugdho telnet door Japan te • · toeren tot aan het
-74-
noordelijkste punt op HokkaidO. Een zeer
indrukwekkende ervaring waar ik nog veel
verhalen over zou kunnen vertellen.
Maar om op Nagasaki Holland Village terug
te komen; voor de toekomstige Oranda-Muragangers is het wel fijn om te weten dat de
faciliteiten in de appartement~n -op loopafstand van je werk- voor Japanse begrippen
vrij luxe zijn. Een appartement kan met 3
personen gedeeld worden waarbij
ieder een
eigen kamer heeft. Eén daarvan is slechts
een tatami-kamer, op de andere 2 kamers
ligt zeil. Er is een ingerichte open keuken
in de woonkamer, voorzien van T.V., westerse bedden op de slaapkamers, een bad- en
toiletruimte en zelfs een -hoewel slechts
werkend met koud water- wasmachine op het
balkon.
Om mijn verhaal te besluiten zou ik een ieder die hierin ge!nteresseerd is, willen
wijzen op het feit dat een groot aanpassingsen uithoudingsvermogen vereisten
zijn om het jezelf én NHV aangenaam te maken. Bovendien raad ik iedereen aan eigen
initiatieven te ontwikkelen om contacten te
maken en ook in andere omgevingen vrienden
te maken.
Dat blijkt uiteindelijk toch de
beste manier te zijn om zoveel mogelijk je
Japans én je begrip van de Japanse maatschappij te verbeteren.
Een jaar lijkt lang als je ervoor staat,
maar achteraf gezien is voor mij
in ieder
geval de tijd voorbij gevlogen. Vooral de
laatste paar maanden waarin ik uiteindelijk
toch nog veel promotie- en tolkwerk heb
kunnen verrichten.
-75-
ìÞ
tFr¡
z{
^__¡
lFql
KSE
nw ilN
A
GäA dtlþ
tr Hl
L-Jl Ø
lt4¿
ç{
IF
W
bij boekhandel verkrijgbaar
M. R. J. Hofstede
Vertaald en bewerk door
EN MICHEL RAND(}M
LOUIS FRÉDÉRIC
- gebrek aan individualiteit, ziin beheerste
168 kleurenfoto's
Formaat 24 x 30
Gedempte Oude Gracht 35 Postbus 563 2003 RN Haarlem
UITGEVERS EN IMPORTEURS BV
te geven.
aangeven, zonder ziin tradilionele waarden priis
zijn tijd mee kan gaan,la zelfs de toon kan
kennen; het laat ons ook zien hoe een volk met
interessant voor wie speciaa I Ja pa n wil leren
Gebonden, met stofomslag
f 98,50
tsBN 90 6097 211 2
292 pagina's
stap is met ziln collega's . . l
karakteristieke illustraties een beeld van deze
opkomende wereldmacht geeft, niet alleen
samen zijn, als hij tenminste geen weekend op
boek, dat ons ook in even fraaie als
zondag, de rustdag, gaat hij met ziin gezin uit
wandelen en kan dan eindeliik met zijn kinderen
-
aan zijn vrijetijdsbezigheden deelneemt. 0p
manier. Het komt heel zelden voor dat ziln vrouw
aan sport of amuseren zich op een andere
brengt hij ook met ziln collega's door. Ze doen dan
en impressies raak getypeerd. Daarom is dit
telefoons
het wordt alles in kleine observaties
Japanse stadsplanning, spoonruegen en
emotionaliteit, Japanse feesten zo goed als de
ogen
- in onze
televisie, alvorens naar bed te gaan. De zaterdag
van de doorsnee Japanner, ziin opvoeding, ziin
produktiviteit in werkverband, ziin
collega's i3 gaan eten. Als hij dan eindeliik
opgehouden, maar meestal omdat hij met zijn
thuiskomt, eet hij nog wat lichts en kilkt nog wat
ahijd laatthuis, hetzij omdat hijop kantoor is
overzichtelijk ter sprake, het is ook vol van
bestaan van onze tegenvoeters. Het gezinsleven
brengen. Daartoe beperkt ziln rol zich. Hij komt
en literatuur van Japan, het land van de riizende
zon, komen in dit boek beknopt maar
impressies en observaties van het alledaagse
gezin de kostte geven en ziin kinderen grootte
die werkt. Hij moet genoeg verdienen om ziin
Citaat uit de lekst:
'. . . . in het doorsnee gezin is het alleen de man
Niet alleen de geschiedenis en geografie, kunst
Japan