-
Titel
-
2009-2010 | 2
-
Nummer
-
2
-
extracted text
-
Cover
COMMISSIELEDEN
Lena Bounimovitch
Melissa Costa
Liselore Goossens
Martijn Heule
Diana Kuijpers
Carmen Loh
TANUKI
Amiet Oedit Doebé
assessor
Renzo Goto
webmaster
Yori van Hout
praeses
Martijn Heule
vicevoorzitter, journaleditor
Aranka Leonard
quaestor
Maaike de Vries
ab-actis
CONTACT OVERIGE COMMISSIES
Marco Lambooij
feestcommissie
marco_lambooy@hotmail.com
Renzo Goto
TFC Banzai
renzowg@gmail.com
Sue Mudde
Korea Commissie
sue_mudde@hotmail.com
Diana Kuijpers
film en Fotocommissie
diana_kuijpers@hotmail.com
Aafke van Ewijk
martial artscommissie
tanukimartialarts@gmail.com
Bob Nijkamp
reiscommissie
studytrip@tanuki.nl
EDITING JOURNAL #2
Carmen Loh, Diana Kuijpers, en
Milan van Berlo; hartelijk bedankt!
2
はじめに
Introductie
Het is november, de lucht wordt ijler, en ik ben
nu, net als iedereen, alweer ruim twee maanden
aan de bak in Leiden. Het is weer wat anders dan
het zorgeloze leven in Nagasaki waar ik tot en met
eind augustus vertoefde. De studiedruk was licht,
dus de rest van mijn tijd was ingeruimd voor het
oefenen met mijn bandje, voetballen, of verschilferen in het badhuis op de berg. Maar goed, ik ben
geen Schoen, dus het poëtisch weegeklaag laat ik
verder aan hem over.
Een beetje beuken is natuurlijk ook geweldig, en
daarom is het hier in Nederland ook louter feest,
getuige al die prachtige Tatanukiki’s die ik er met
verontrustende regelmaat uit aan het drukken
ben. Ditmaal zelfs met een herziene lay-out en een
omslag in kleur. Waarlijk het land van overvloed.
De artikelen in dit nummer zijn tevens om van te
smullen. Ditmaal onder andere drie verslagen van
uitwisselingsstudenten om een indruk te geven
van het leven in Japan; vervolgen op vaste rubrieken; en ook nog een verslag van Matthias Dingjan,
over het sempai kōhai-syteem zoals wij dat samen
ervoeren in Nagasaki. Veel leesplezier met deze
journal, en tot in december. door Martijn Heule
Afgelopen april in Nagasaki, met Matthias en een paard
目次
Op de cover: waar vorige maand
de koddige heuvelhutjes van Nagasaki de cover sierden, hebben deze
plaatsgemaakt voor het Gouden Paviljoen, de 金閣寺, te Kyoto. Des te
mooier tijdens het verkleuren van
de bladeren in de herfst is dit een
van de vele mooie monumenten van
deze magische stad.
Inhoud
JAPAN
Japan News
花結び
かぶき
先輩後輩制度
6
9
10
16
DE OPLEIDING
Ja, meester?
De Opleidingscommissie
13
21
ANDERE VERSLAGEN
Yellow Fever-verslag
Pyke’s holletje
Mucc live in Tivoli
TFC Banzai - SVS
22
24
27
28
Foto door Rolf Hanswijk
VASTE RUBRIEKEN
コトバによって表現された人 18
30
Mattias in 京都
32
Jocelyn in 長崎
33
Gijs in 大阪
Het Moment van De Schoen 34
36
Dr. Gé, de column
38
Dr. Gé, het postvakje
3
De journalcommissie
...beantwoordt relevante vragen. Waar schrijven zij ditmaal over en, belangrijker, wie is hun
lievelingsjapanner ever1?
Lena Bounimovitch
Melissa Costa
Liselore Goossens
Ik profileer mezelf dit keer
met meer dan ‘sex, booze
and men’ en hoop brandende vragen van BA3-studenten te beantwoorden
door wat licht te werpen
op de Master Japanese
Studies.
Yes! Mijn eerste, volwaardig en opzichzelfstaand artikel! Zoals je ziet, schrijf ik
over kabuki, het klassieke
Japanse toneel. Het was
Miyavi’s ‘Japaneze Kabuki
Rock’-periode die mijn interesse in kabuki wekte
en sinds hij niet zo lang
geleden ons landje weer
heeft aangedaan, overviel
mij het sentiment van zijn
vorige show... Aldus!
In mijn artikel in deze TaTanukiKi schrijf ik over de
band MUCC. Mijn favoriete
Japanner (op dit moment,
het wisselt regelmatig) is
eveneens een muzikant.
Zijn naam is Kiyoharu en
hij is momenteel favoriet,
omdat hij het voor elkaar
krijgt om als 40-plusser
met duidelijke sporen van
overmatig drugsgebruik en
plastische chirurgie toch
nog steeds waanzinnig sexy
te zijn. Hoeveel kunnen dat
nou zeggen?
Mijn favoriete Japanner
ooit is een prachtige man
met een droom. Hij verliet
het gehucht 熊本(くまもと)
en zijn politie-uniform voor
het pittoreske 長崎 (ながさ
き) om er een gezellige 居
酒屋(いざかや) te runnen.
Ik moet er een beetje van
blozen als ik aan zijn warme
doch stoute glimlach denk.
Wacht, spreek ik mezelf nu
tegen? ヤバイ。
Martijn Heule
TFC Banzai heeft karakter,
de wil om te winnen, een
wilde schare aan mooie
mannen, en bij tijd en wijlen zo haar net-niet momentjes. Als weerklank
van mijn eigen wezen,
voel ik mij geroepen ook
deze maand weer voorgenoemde eigenschappen uit
te lichten. Het zou wel leuk
zijn als we weer eens wonnen.
Mijn lievelingsjapanner is
Renzo Goto; een ingenomen, tedere ziel met een
kapsel waar menig Koreaan
jaloers op is.
1 ooit
4
Wie is dus mijn favoriete Japanner? :) Miyavi-san heeft
mij al vaker geïnspireerd, hij
maakt geweldige muziek en
hij ziet er nog leuk uit ook.
What’s not to love?
Diana Kuijpers
Carmen Loh
Ook deze keer heb ik wat
nieuwsfeitjes uit Japan bijeengeraapt om iedereen
enigszins op de hoogte te
houden van wat zich in Japan afspeelt. Dit blijkt nog
niet zo gemakkelijk; er gebeurt uiteraard zoveel dat
een selectie vereist is, waardoor er altijd onderwerpen
niet aan bod komen. Maar
ik doe mijn best!
Deze keer gaat mijn artikel
over de geneugten van de
knoopnijverheid. Wederom
een artikel met mogelijkheden om je te vermaken
bij saaie colleges. Hierbij zijn geen goudvissen
omgekomen.
Wat betreft mijn favoriete
Japanner; die heb ik niet
echt. Er is wel een aantal
acteurs uit Japanse drama’s
dat me steeds weer aanspreekt—denk Oguri Shun,
Miura Haruma—maar daar
blijft het dan ook bij.
Mijn favoriete Japanner
is Shirota Minoru. Niet
alleen is hij een Japanner,
maar deze fantastische
man heeft een van de lekkerste drankjes ter wereld
gecreëerd die zeer verslavend is. Helaas wordt
slechts één variant hiervan
verkocht in Nederland, anders was ik nu één brok
Lactobacillus Casei Shirota.
Agenda
11 november
25 november
26 november
7 december
F
B
G
J
ilmavond
orrel
ameavond
apanese School Rotterdam excursie
v.l.n.r.: Liselore, Carmen,
Martijn, Diana, Lena, Melissa
Martial Arts
Commissie
oefenschema
16 november (月) 15:00
23 november (月) 15:00
30 november (月) 15:00
Locatie: Lipsius 233 (LAK-zaal),
contact: tanukimartialarts@
gmail.com
TFC Banzai
trainingsschema
13 november (金)16:00
20 november (金)16:00
27 november (金)16:00
4 december (金)16:00
11 december (金)16:00
Elke week op het Universitair Sportcentrum・Contact,
vragen? Mail captain Renzo
Goto: renzowg@gmail.com
5
Japan News
Twee zetels in het Hogerhuis voor de
DPJ
De DPJ (Democratische Partij Japan)
heeft twee zetels in het Hogerhuis in
de wacht gesleept bij de tussentijdse
verkiezingen, waardoor de partij nu 115
zetels in het Hogerhuis bezet. Wanneer
dan de kleinere partijen die zich hebben aangesloten bij de DPJ mee worden
geteld, zoals Kokumin Shinto en New
Party Nippon, heeft de DPJ nog maar
één zetel nodig om zich van een meerderheid in het Hogerhuis te verzekeren.
liever verplaatst worden naar Kadena,
een dichtbij gelegen Amerikaanse basis.
Washington doet een beroep op Hatoyama om tot een besluit te komen voordat
president Obama Tokyo bezoekt op 12 en
13 november, maar Hatoyama zegt geen
haast te hebben. Hij wil dat zijn beslissing
aansluit bij wat de mensen in Okinawa en
de rest van het Japanse volk willen.
Halloween in Japan
Amerikaanse basis Futenma te
Okinawa: verplaatsen of niet?
Een hot item in Japan op het moment
is Futenma, de Amerikaanse basis die
gevestigd is in Okinawa. Momenteel
bevindt deze zich in het midden van het
dichtbevolkte Ginowan en zou volgens
een overeenkomst getekend in 2006
tegen 2014 verplaatst worden naar het
minder bevolkte Nago. Daar zou een
vervangende landingsbaan gebouwd
worden op het kustgebied dat bezet
wordt door ‘Camp Schwab’ van het
Amerikaanse Marinekorps.
Een verhitte discussie is echter ontstaan
omdat premier Hatoyama zijn bedenkingen heeft over het plan. Hij ziet de basis
6
Ook in Japan wordt Halloween gevierd! Dit
jaar wordt in Omotesandō (Tokyo) een parade gehouden genaamd ‘Hello Halloween
Pumpkin Parade 2009’. Duizend kinderen
lopen in deze parade in allerlei kostuums.
Kiddy Land, een bekende speelgoedwinkel
in Harajuku, heeft meegewerkt aan de organisatie van dit evenement en de eerste
Halloween parade in Japan vond, dankzij
Kiddy Land, plaats in 1983.
Ook in de Motomachi Shopping Street in
Yokohama wordt een Halloween evenement georganiseerd. In plaats van huizen,
zullen verklede kinderen de winkels in
deze winkelstraat bezoeken met het overbekende ‘trick or treat!’
Tevens zullen in Kawasaki en Kyoto Halloween feesten georganiseerd worden.
In het Kitayama gebied in Kyoto zal zelfs
een workshop gegeven worden over het
maken van de typische ‘jack-o’-lanterns’.
Herziening van de 常用漢字
Volgende herfst zal de Japanse regering
voor het eerst sinds 1981 een herziening van de lijst van jōyō kanji (kanji voor
dagelijks gebruik) doorvoeren.
derne technologieën kunnen er zo’n
tienduizend karakters gebruikt worden
op mobieltjes en computers, wat het
schrijven (en daarbij onthouden) van
kanji niet bevordert.
Er is al veel discussie geweest over welke kanji geschrapt moeten worden en
welke juist toegevoegd moeten worden.
Momenteel is er een lijst van 191 kanji
die als kandidaat kans maken om op de
nieuwe jōyō kanjilijst terecht te kijken.
Kanji die bijvoorbeeld voorkomen in bekende plaatsen, zoals 阪 van 大阪 (おおさ
か), 奈 van 奈良 (なら) en 神奈川 (かなが
わ), 熊 van 熊本 (くまもと) 韓 van 韓国 (
かんこく: Zuid-Korea) zullen hun debuut
maken op de jōyō kanjilijst. Momenteel
zijn deze nog geclassificeerd als 人名用
漢字 (じんめいよう, dus kanji voor namen).
Momenteel kent deze officiële lijst 1945
kanji die in kranten en officiële overheidspublicaties gebruikt mogen worden.
Japanse kinderen worden verwacht deze
kanji tijdens het verplicht onderwijs allemaal te leren.
Sinds 1981 zijn er echter veel nieuwe kanji
bijgekomen en de regering moet bepalen
hoeveel en welke kanji Japanners moeten
kunnen lezen en schrijven. Dankzij mo-
Ook kanji voor alledaagse objecten zoals 枕 (まくら, kussen), 鍵 (かぎ, sleutel
of slot) en 箸 (はし, eetstokjes) zijn op
de kandidaatslijst voor de nieuwe jōyō
kanjilijst terechtgekomen, evenals kanji
die de Japanse cultuur via de geschreven
taal moeten behouden; denk hierbij aan
kandidaten als 伎 van 歌舞伎, かぶき) en
詣 van 初詣 (はつもうで), het tempelbezoek op Nieuwjaarsdag.
door Diana Kuijpers
7
Net-niet cover #1
Net-niet cover #2
8
Aziatische goudvissen opknopen
Nee, ik vermoord geen goudvissen. Wat ik met deze titel bedoel, is de handarbeid ontstaan in China, waarbij je een goudvis kunt maken van een touw waarin je
knopen legt. Iedereen weet hoe je een knoop moet leggen, maar om deze knopen op een dergelijke manier
te leggen dat ze een mooi figuur aannemen, is een
kunst. Deze kunst van moeilijk doen heet in China 中國
结 (zhōngguó jié), 매듭 (maedeup) in Korea en 花結び
(はなむすび) in Japan.
Deze knoopkunst waar ik het over heb, is ontstaan in
China en overgenomen in andere landen, zoals Japan en
Korea. Het begon met simpele knopen voor alledaagse
dingen, zoals een touw vastmaken, of de kenmerkende
Chinese knopen in kleding, en groeide uit tot ware
kunstwerken van touw. Tegenwoordig wordt er touw
gebruikt met verschillende kleuren en texturen en
worden de gekste dingen verzonnen om te knopen.
Deze nijverheid is een wereldwijd fenomeen; het is
niet alleen in Azië dat de kunst van het knopen leggen
bestaat. Het verschil tussen de knoopkunst in Aziatische
en westerse laden is dat in Azië de kunst in alle drie de
dimensies gaat, terwijl we het hier bijna altijd houden
op tweedimensionaal. Denk maar aan dingen als vlechten en vriendschapsbandjes tegenover dieren en muurversieringen. Vanwege de gecompliceerde structuur
van de Aziatische variant, kun je er veel meer vormen
mee maken die ook heel mooi zijn om naar te kijken.
Het eindresultaat van al het knopen is te gebruiken als
decoratie in bijvoorbeeld kleding, meubilair en woningen. Sommige patronen zijn speciaal ontworpen om
geluk en voorspoed te brengen, anderen zorgen weer
voor een lang leven, en dit zijn slechts een paar mogelijkheden.
Intrigeren deze prachtige bouwwerken je? Zoek dan eens iets uit over deze
fantastische knopen! Tussen alle ontwerpen zal er vast
wel een zitten die jij het einde vindt, of het nou een
haan, goudvis, of de Eiffeltoren is. Ja, de Eiffeltoren.
Zoek de instructies bijvoorbeeld op YouTube, en je hebt
wederom iets leuks te doen tijdens college.
door Carmen Loh
9
De “art bizarre” van Japan, het kabuki
Hilarisch en dramatisch
Kabuki, waarvan de afzonderlijke karakters
‘zang’, ‘dans’ en ‘talent/kunst’ betekenen, ontstond in de Edo-periode toen de vrouw Okinu
in 1603 een nieuwe stijl van dans en drama
begon op te voeren. De van oorsprong vrouwelijke spelers speelden zowel mannelijke als
vrouwelijke rollen in persiflages op het dagelijkse leven. Deze kabuki-stijl (officieel afgeleid
van katamuki, wat in die tijd als ‘excentrisch’ of
‘art bizarre’ werd vertaald) werd onmiddellijk
populair en al snel ook aan het hof opgevoerd.
In de loop van tijd begon men het echter aanstootgevend te vinden, aangezien de actrices
veelal prostituees uit de pleasure quarters waren en na de voorstelling de bezoekers hun diensten aanboden. Men beschuldigde de vrouwen
ervan de kunst van het kabuki te bezoedelen
en zodoende werd er in 1629 een wet van kracht die vrouwen verbood nog langer
kabuki op te voeren, waarna knappe jonge mannen de vrouwenrollen overnamen. De
geschiedenis herhaalde zich echter: de jonge acteurs maakten zich ook schuldig aan
prostitutie en uiteindelijk werd kabuki enkel het terrein van volwassen acteurs.
Mannen die vrouwenrollen spelen, dat is toch zeker al een ingrediënt voor hilariteit?
Bonte kostuums, drukke scènes vol verrassende entrees en plotwisselingen dankzij een
intensief gebruik van valluiken, attributen en instrumenten; geen wonder dat de gewone Japanse bevolking van kabuki smulde. In tegenstelling tot het serene, artistieke
Nôh-theater van de elite (het was enkele eeuwen officieel verboden om bijgewoond
te worden door het gewone volk), was kabuki louter entertainment, verhalend over
dagelijkse situaties als ruzies tussen man en vrouw, maar ook over sprookjes en legenden. Tachiyaku, de échte mannelijke acteurs, spelen vaak de hoofdrol en staan vrijwel
altijd voor het harde, strijdlustige en dappere figuren van het mannelijk geslacht. Dit
dragen zij uit door krachtige bewegingen en het dragen van zwaarden en geschminkte
gezichten of maskers, vrijwel tegenovergesteld aan het vrouwelijk personage in kabuki. Toch hebben deze krijgers ook hun zwakte; de eerste kabuki-voorstellingen gingen
veelal over mannen die gekweld werden door de geesten van hun overleden vrouwen,
maar meestal waren zij het zelf die hun vrouwen hadden vermoord! In deze vroege
performances speelden humor en overdrijving een grote rol; het spel was niet realistisch bedoeld. Als de acteurs spraken, deden zij dit dan ook in klagende, bizar uitgerekte lettergrepen en uithalen van de stem, waardoor het publiek snel in de lach
schoot. Een avond kabuki kon opgevat worden als een letterlijke avond uit, aangezien
voorstellingen vier tot zelfs tien uur konden duren.
10
歌
舞
伎
Naarmate de welvaart van Japan toenam en daarmee het niveau
van haar bevolking, werd ook kabuki een kunstvorm die zich
steeds meer toespitste op complexe emoties en dramatische
vertellingen. De voorstellingen werden steeds expressiever en
poëtischer. De vrolijke hysterie en humor verdwenen langzaam,
hoewel tegenwoordig nog steeds humoristische kabuki-voorstellingen worden opgevoerd. Wat bleef om zich te ontwikkelen waren de dans, de muziek en het drama, maar vooral de oorspronkelijke handicap van de mannelijke acteurs van vrouwenrollen,
die zich later bewees als de grootste kracht van het kabuki: de
onnagata.
Ultieme vrouwelijkheid
Hoe kan een man ooit overtuigend een vrouw spelen? Dan hebben we het niet over het uiterlijk door middel van professionele
make-up, maar over de performance: hij kent haar innerlijke
emoties immers niet, en bekijkt haar reacties vanuit een mannelijk standpunt. De kracht van de performance van onnagata in
kabuki zit hem echter niet in het realistisch neerzetten van een
vrouw, maar in het neerzetten van het ultieme vrouwelijke ideaalbeeld, zo vrouwelijk dat een actrice dit zelf juist nooit zou kunnen.
‘Ik dacht altijd dat ik een vrouw kon spelen, voordat ik me realiseerde dat ik de wereld
niet door de ogen van een vrouw kan bekijken. Ik speel een vrouw met de gevoelens
en ogen van een man, zoals een man die een portret van een vrouw schildert. Zo geef
ik vorm aan mijn rol als onnagata,’ zegt Bandō Tamasaburō, tegenwoordig één van
de beroemdste kabuki-acteurs én de hoofdrolspeler in onder andere Sagi Musume.
Dit optreden van een half uur lengte is volledig op Google Video te vinden. Het is een
tragisch verhaal over een jong, mooi dorpsmeisje wier hart wordt gebroken door haar
geliefde, waarna zij terugkeert in de geestgedaante van een witte reiger.
Bandō’s carrière als acteur en onnagata begon door zijn dansopleiding. ‘Je kunt nu
eenmaal geen goed acteur worden zonder dans te beheersen,’ zegt hij, en in een kunstvorm als kabuki is dit zeker waar, aangezien acteren en dansen hier hand in hand
gaan. Bandō is bijvoorbeeld speciaal getraind in te-odori, speciale handbewegingen
die sterk de gratie van een vrouw uitdrukken en zelfs het perfect omgaan met furisode,
de lange mouwen van een kimono die alleen door jonge vrouwen gedragen worden.
Beide handelingen gebruikt de acteur voor het uitbeelden van vrouwelijkheid, terwijl
zijn witgeverfde gezicht geen emoties verraad. Dit ‘masker’ is slechts één van de redenen waarom het niet meteen bij je op zou komen dat het gracieuze meisje uit Sagi
Musume wordt gespeeld door een man.
Zoals blijkt uit Bandō’s dansopleiding kent kabuki vele manieren om non-verbaal iets
over te brengen aan het publiek. Dit was oorspronkelijk nodig aangezien de acteurs vaak
niet spraken en het verhaal geheel of deels werd voorgedragen door een achtergrondkoor, zoals in Sagi Musume ook het geval is. Het dragen van verschillende kimono’s,
waarvan de kleur en patronen de emoties van het personage of de rol in het verhaal
11
uitbeeldden, is zo’n manier. Tijdens een
stuk vinden dus vaak kostuumwisselingen
plaats en deze vinden verrassend genoeg
plaats op het podium zelf. Je kijkt eerst raar
op als er tijdens de dans twee onopvallend
geklede mannen het podium optrippelen,
waarna de acteur zich slechts enkele seconden met hen achter een parasol verschuilt
en vervolgens met een geheel andere kimono weer verder speelt. Deze snelle handelingen en ook de speciale poses, die de
acteur op het hoogtepunt van een scène
aanneemt en enkele seconden volhoudt
(voor het beste resultaat wordt er scheel
gekeken), worden steevast beloond met
applaus. Voor het snelle wisselen van de
kimono bestaan vele complexe technieken, en zij zorgen ervoor dat de acteur geen
enkele keer het podium hoeft te verlaten
en dus de aandacht van het publiek continu vasthoudt.
Als je de voorstelling Sagi Musume bekijkt,
kun je direct zien dat Bandō talent bezit en
zijn rol als jonge maagd en geestgedaante
uitmuntend uitvoert. Voor Bandō zelf is
zijn persoonlijke prestatie echter ondergeschikt aan de rol die hij speelt. Sagi
Musume is een dans die al vanaf 1726
wordt opgevoerd, en al die tijd is het personage niet veranderd. Kabuki-voorstellingen worden niet bijgeschreven, ze worden
doorgegeven. De prestige van een enkele
acteur is niet aan de orde, het gaat erom
dat hij zijn rol, die al eeuwen dezelfde is, met dezelfde gratie en discipline speelt en
hiermee wederom anderen inspireert. Bandō is slechts een schakel in het geheel, een
doorgeefluik voor de kunst die door enkele families al meer dan zeventien generaties
lang wordt bewaard.
Kabuki wordt nog steeds opgevoerd in Japan, onder andere in het beroemde theater
Kabukiza in Tokyo, en wordt sinds de laatste jaren zelfs weer schuchter door vrouwen
uitgevoerd, degenen die deze kunst in de eerste plaats hebben uitgevonden. Ook in
de westerse wereld heerst een groeiende interesse voor deze kunst. Terwijl de ouder
wordende Bandō lachend zegt: ‘Mijn tijd als onnagata beweegt zich langzaam naar het
nachtelijk duister’, begeeft kabuki zich slechts in de eerste zonnestralen van wederom
een nieuw tijdperk, en die zon schijnt niet alleen in Japan.
door Melissa Costa
12
Ja, meester?
Geloof het of niet, maar ik ben sporadisch een serieuze dame! Om deze kant van mijzelf
te profileren heb ik besloten om eens wat licht te werpen op een ietwat onbekende,
doch academisch belangrijke fase tijdens de glorieuze studie genaamd Japanologie: de
Master Japanese Studies.
Vraag het jezelf eens af; zie jij jezelf een master Japans doen na je bachelor? Zo ja,
denk je dat je de zelfdiscipline kan opbrengen om dagelijks bladzijdes aan tekst te verwerken? Welke Japanse stad zou je kunnen verblijden met je onderzoek en welke eigenschappen zou je in het diepst van je ziel moeten vinden om je studie tot een hoger
niveau te tillen?
Om al deze brandende vragen te beantwoorden ben ik op zoek gegaan naar drie
woeste master-mannen om ze even aan de tand te voelen over hun academische leven
na BA3. Bij deze: ex-klasgenoten en serieuze heren Maxim de Bie, Floris van Exter en
Shinichi Douma.
Om even het ijs te breken, een flauwe vraag: je wordt een meester der Japanologie,
maar waar ben je op dit moment een meester in?
Shinichi: Ik ben een meester in paint by numbers en heb ook nog een A-diploma in
synchroon zwemmen in m’n eentje. Oh ja ik ben ook nog meester in de rechten, maar
dat boeit voor de rest niemand, denk ik.
Maxim: Ik ben ‘de man die rivieren leeg eet’. Geen zalmmoot blijft ongeschonden tijdens mijn bezoek aan de Japanse all-you-can-eat tentjes.
Floris: Daar kan ik heel kort in zijn. Pro Evolution Soccer, beter bekend als PES.
Maar nu even serieus, de meningen zijn verdeeld over de ‘leukheid’ van een Master
Japanese Studies. Ik meende zelfs de term terror te hebben opgevangen. Hoe groot is
het verschil met de eindfase van de bachelor Japans en waarom heb je besloten om
deze brutaliteit aan te gaan?
M: Eigenlijk ben ik heel tevreden over de master tot nu toe. In de legendarische
woorden van ōya-sensei: ‘we will torture you, and you will like it!’ Dat geldt zeker voor
de master. Het niveau ligt hoger en het is meer, maar je bent nu wel elke dag met de
Japanse taal bezig. Ik merk dat mijn niveau echt een grote vlucht heeft genomen in de
afgelopen twee maanden. Dat miste ik heel erg op BA niveau. De échte reden dat ik
een master doe, is omdat we een jaar naar Japan geschopt worden. Om daar te overleven is de nadruk op taal nu, voor iemand als ik die nog nooit in Japan is geweest, echt
hard nodig.
De werkdruk lijkt me gigantisch, hoe ziet een gewone studiedag eruit?
F: Vooral veel lezen. De ‘Master Seminars’ zijn, hoewel je ze maar twee uur per week
hebt, vrij zwaar. Je moet veel lezen, bijna wekelijks position papers schrijven, webposts
maken en presentaties geven. Verder heb je zeven uur per week taalcolleges waar ook
wel wat tijd in gaat zitten.
M: Over het algemeen hebben we bijzonder weinig contacturen, dus na een week of
13
twee vind je je evenwicht wel. Je kunt, maar het is niet aan te raden, al het ‘gewone’
huiswerk gewoon de middag ervoor maken en in de weekenden je ‘position papers’ en
opstellen en zo schrijven. Die je overigens élke week maakt gedurende het eerste deel
van het semester. Voor je state-of-the-field seminar, zeg maar je enige focus vak, moet
je wel heel veel lezen, maar je volgt er maar één dus dat heft op. En de Masterclass,
tja...
Het lijkt me dat de nadruk voornamelijk op academisch lezen ligt, maar hoe zit het met
de taal? Om even toekomstige concurrenten af te schrikken, hoe goed moet je Japans
zijn om een master course te overleven?
S: Je moet in principe 2-kyū (niveau Japans, kanjikennis: ca. 1000, vocabulaire: ca. 6000)
niveau hebben voordat je naar Japan gaat en 1-kyū (kanjikennis: ca. 2000, vocabulaire:
ca. 10.000) als je terug bent.
M: Academisch lezen gaat wel een stuk dieper en verschuift steeds meer van casestudies naar algemenere, theoretische stukken [denk Marx, Foucault etc.]. Maar zoals
gezegd heb ik voor mezelf de nadruk op de taal gelegd met het oog op het jaar in Japan. Mijn Japans is niet zo geweldig, maar het lukt aardig, dus ik denk dat het meevalt.
Je moet je aandacht erbij houden en alle taalvakken worden natuurlijk helemaal in het
Japans gehouden. Ja of nee knikken is niet voldoende en iedereen komt aan bod. Dit is
je laatste kans om te leren fouten te durven maken, opdat je verbeterd wordt en dus
ook beter wordt.
Meer dan「はっきり分からないんですが…」kunnen zeggen lijkt me een vereiste.
Behalve fatsoenlijk Japans kunnen spreken, welke eigenschappen moet een goede
Master student volgens jou bezitten?
M: Vooral mensen met een passie voor theorie komen aan hun trekken.
S: Het zou handig zijn als je goed kunt plannen.
F: Zoals ik al eerder gezegd heb, denk ik dat de belangrijkste vaardigheid op academisch gebied ligt. Een goede MA student dient vooral veel tekst te kunnen lezen en
verwerken. Denk hierbij aan enkele honderden pagina’s per week. Verder moet je
vooral je eigen secundaire literatuur kunnen vinden.
Wat voor type student zou het programma van zijn levensdagen niet
overleven?
F: Studenten die niet van lezen of
papers schrijven houden, doen zich
er goed aan zich af te vragen of ze
de MA wel willen doen. Het zal voor
die mensen vrij zwaar worden.
Hard werken wordt duidelijk beloond: je hebt recentelijk gehoord
welke Japanse stad je in het tweede
semester mag verblijden met je aanwezigheid. Wat wordt het en wat ga
je daar doen?
14
MAX-im,Shin-ichi en Flow-riz
S: Ik mag een jaartje naar 京大(きょうだい)en zoals elke masterstudent zal ik daar
voornamelijk bezig zijn met onderzoek doen voor de masterscriptie. Daarnaast kan je
een aantal vakken volgen als je dat leuk lijkt.
F: Ik mag Tokio veilig gaan maken. Naast het feit dat ik daar onderzoek ga doen staan
er ook nog andere dingen in de planning. Ik kijk zelf het meeste uit naar een uiterst
decadent verblijf van enkele dagen in het Park Hyatt hotel in Shinjuku.
M: Yes, ik ga Kyoto onveilig maken en ik ben van plan daar onderzoek te doen naar
het gokken van Japanners. Van die pachinko-hallen en zo. En mahjongen met Japanse
omaatjes die vals spelen en lol hebben dat ik daar als gaijin niks van de regels begrijp.
Ik kan maar beter een grote beurs krijgen...
Eerste keus gekregen? Wie gaat er over de master-plekken en wie moet men dus vanaf
dit moment extra lief gaan aankijken? En, zijn er dingen die je liever niet moet doen of
zeggen tijdens zo’n lotbepalende gesprek met diegene?
S: Yes, gelukkig wel. Dr. Kiri Paramore gaat over de master vakken, dus voor het eventuele konten-kus-gedeelte moet je misschien bij hem zijn. Dingen die je niet moet zeggen. Ik quote hier een anonieme student: “I’d like to go to either Kyoto or Tokyo, because they’re nice cities”. Paramore: “Any academic reasons?” Anonieme student: “No,
not really”. Resultaat: Fukuoka.
De opleiding moet verplicht een plek op een Japanse universiteit voor je vrijmaken,
maar dit betekent niet dat ze je quasiluxe appartement gaat financiëren. Hoe zit het
daarmee? Ik kan me namelijk voorstellen dat het financiële aspect menig student kan
afschrikken..
M: Elke masterstudent heeft recht op de outbound study grant. Dus zelfs als je geen
fondsen kan strikken krijg je een bedrag dat je bankrekening een klein beetje helpt te
ontzien. In mijn geval wordt er gezegd dat Kyoto je ongeveer 1000 euro per maand
kost. Je krijgt ongeveer 400 euro van die grant en dan heb ik nog steeds recht op uitwonende studiebeurs van de IB-groep. Ik ben ruim op tijd begonnen met sparen voor
het geval dat, maar er zijn nog andere beurzen die je kunt krijgen. Stel je staat een 8.5
of hoger, dan gaan pas echt de deuren voor je open. Ik zit daar helaas een volle punt
onder. Maar toch, er is één JASSO per universiteit in Japan, verder zijn er dingen zoals
het LUF en vele particuliere fondsen. Ook krijgen we, als het goed is, een bedrag om
de vlucht mee te betalen. Let wel dat de deadlines van die fondsen als een tang op een
varken slaan en dus vaak niet overeenkomen met de data van uitwisseling.
S: Je komt dus nooit helemaal met lege handen te staan.
Tof! Ik wens jullie heel veel plezier en succes in het land van de rijzende zon en houd:
“All work, no play, makes a dull boy” in het achterhoofd. Tenslotte, een intelligente
man sluit altijd af met een intelligent citaat:
S: “If you wanna study art, go to GayDai (芸大)”
F: “Shock and awe”
M: “An intelligent man is sometimes forced to be drunk to spend time with his fools.”
- Ernest Hemingway.
Zo! En nu je Bachelor met een 8-gemiddeld afronden, pokerface opzetten en bivakkeren
in de bibliotheek. door Lena Bounimovitch
15
先輩後輩制度
Het sempai kōhai-systeem
Als iets kenmerkend is voor de Japanse samenleving, is het voor mij wel het sempai kōhai systeem. Toegegeven, ook in Nederland is een soortgelijk systeem in zekere
mate aanwezig. Kijk maar bijvoorbeeld naar studentenverenigingen. In deze verenigingen is het aantal jaar dat je lid bent van de vereniging belangrijk. Het is dus ook
handig dat zodra je je bij een vereniging aansluit bevriend te raken met je “hogere”
zodat de ontgroeningsfase niet zo erg wordt. Waar ons systeem echter afwijkt van het
Japanse is systeem is dat als we willen, we al snel op een vriendschappelijke basis met
onze hogere/’sempai’ kunnen praten, uitgaan etc. In Japan echter...
Een jaar verblijven in Japan is heel wat. Ik had een paar doelen voor ogen waarvan
een was mij aan te sluiten bij een circle van de universiteit, als het even kon een muziekcirkel. Na mijn levenspartner gevonden te hebben, zijn we op zoek gegaan naar
een circle die onze behoeftes kon bevredigen. De circle werd uiteindelijk een club, de
strengere variant. Na ons te hebben aangesloten bij RON・Rock, een van de grotere
muziekclubs van de universiteit, werd al snel duidelijk dat de gang van zaken in Japan
anders is dan in Nederland.
Laten we bij het begin beginnen. Op woensdag is elke week de vaste clubbijeenkomst.
Dit is niet erg op zich, maar als jij een eerstejaars bent, wordt er verwacht dat je elke
woensdag komt opdagen. Zo niet, word je direct gebeld door de (in ons geval schattige) clubleidster. Verder zijn er vaste plaatsen voor mensen die al een aantal jaar in de
club zitten. De hoogste sempai zaten op het podium rechts van de zaal, de eerstejaars
zaten vooraan, tweedejaars daarachter en vanaf je derde jaar maakt het eigenlijk niet
meer uit waar je zit. Ook is het vanzelfsprekend dat je iedereen die hoger is altijd
beleefd aanspreekt. Op deze regel is er eigenlijk geen uitzondering. Zo zat in mijn jaar
een eerstejaars bij een derdejaars in de band, maar deze eerstejaars zal niet anders
dan beleefd tegen hem praten. Ja, enkel en alleen als je hogere tegen je zegt dat het
goed is om op normaal niveau te praten mag je dit daadwerkelijk doen.
Ook tijdens de borrels zijn er bepaalde regels waar men zich aan moet houden. Zo
moet iedereen de allerhoogste sempai van de club als eerste proosten en zo werkt
men vervolgens naar beneden totdat men uiteindelijk bij zijn of haar jaargenoten is
aangekomen. Ook moet je altijd je glas lager houden dan iemand die hoger is dan
jij. Het is je eigen verantwoordelijkheid dat je dit soort regels weet en naleeft. Het is
ook de bedoeling dat je jouw kōhai begeleidt in het doen en laten van de club. Jouw
sempai hebben zich namelijk ook over jou ontfermd (toch wel in zekere mate) dus het
is alleen maar logisch dat jij dit ook doet over jouw kōhai. Maar pas op! Volg je deze
(ongeschreven) regels niet, dan staat je een preek van de strenge, doch schattige leidster te wachten. Martijn, mijn medejaargenoten en ik zijn zo een keer uitgekauwd,
omdat wij onze kōhai niet goed hadden opgevoed. Terecht? Misschien, misschien
niet. Een herhaling zal er echter niet zijn.
16
Maar is dit dan een vervelend systeem om in te zitten? Je wordt gebruikt door je sempai, wordt uitgekauwd, moet de (ongeschreven) regels tot op de letter toe volgen, en
waarom? Voor de Japanner geldt dit als een voorbereiding op het werkleven waar dit
iets alledaags is. Het is dus ook handiger om die dingen zo snel mogelijk te leren.
Ik persoonlijk kon mij er wel in vinden. Door het geluk te hebben dat Martijn en ik
toch in zekere mate als echte kōhai/sempai zijn behandeld en niet als zomaar een stelletje buitenlanders is mijn jaar als uitwisselingsstudent rijk aan ervaringen geweest.
Toegegeven, je moet af en toe dingen doen waar je eigenlijk geen zin in hebt, want
zoals gezegd, als je sempai je iets opdraagt, word je geacht dit te doen. Echter, als jij je
sempai nodig hebt, zullen ze er ook voor je zijn. In ons geval betekende dit dat dankzij
onze drummer, nu vierdejaars, we een band hadden, een groot deel van de club is
komen opdagen op ons laatste concert, enkele sempai nog voor een laatste keer met
ons zijn wezen drinken en dat de club het jaarlijkse uitje speciaal een maand eerder
hebben gehouden zodat wij nog net meekonden. Vanwege dit soort dingen heb ik het
sempai kōhai-systeem op een positieve manier weten te ervaren. Het jaar was druk,
geweldig vol met plezier en was ontroerend, vooral toen de schattige leidster moest
huilen vanwege ons vertrek. door Matthias Dingjan
17
コトバによって表現された人
De mens, uitgedrukt door woorden – deel ②
Deze keer: wat is alles? En wat zijn dingen?
Een vraag die interessanter is dan op het eerste gezicht misschien lijkt. “Natuurlijk,
alles is… nouja, gewoon alles. Alles wat er is, alles wat er bestaat”. Maar natuurlijk
is dat eigenlijk niet zo. Als je bijvoorbeeld voordat je op reis gaat wordt gevraagd
‘heb je alles bij je?’ dan duidt de alles daar op iets anders dan ‘alles wat er bestaat’.
‘Alles’ betekent dan opeens dingen zoals schone kleren, je tandenborstel, shampō,
eten voor onderweg, maar dus niet een kattenbak (meestal niet), de domtoren van
Utrecht of de politiek, terwijl al die dingen wel bij een contextloze ‘alles’ zijn inbegrepen.
Uit dit korte voorbeeld kunnen we concluderen dat de betekenis van het woord
‘alles’ zeer afhankelijk is van de context. ‘Alles’ uit het bovenstaande voorbeeld is uit
te leggen als ‘alle spullen/dingen die je mee moet nemen om op reis te gaan’. Kortom, ‘alles’ binnen de context van spullen die je mee moet nemen. Om de betekenis
van alles te begrijpen moet je dus kennis hebben van de context, van de situatie, en
(algemene) kennis van wat je mee wil of moet nemen als je op reis gaat. Een hoop
gedoe om een klein woordje te begrijpen.
Dankzij kennis van de situatie, verwachtingen die men van je heeft, wat de norm
is, etc. etc. (er is letterlijk oneindig veel te bedenken), kunnen we woorden zoals
‘alles’ begrijpen. Maar was taal niet bedoeld om juist informatie over te dragen?
Als dat zo is dan zou het eigenlijk vreemd zijn als je zo veel gegevens nodig hebt
om de boodschap te begrijpen, nietwaar? Ik wil het hier echter niet hebben over of
het echt nodig is om bepaalde woorden te zeggen of dat je ze weg mag laten, want
meer dan het gevolg van een grammaticale regel is dat waarschijnlijk niet. Ik houd
me liever bezig met het pragmatische aspect van dit soort woorden. Context, dat is
hierbij het sleutelwoord.
Nu denk ik dat ‘alles’ wel een wat extreem voorbeeld is. Er zijn ook tal van woorden
die onafhankelijk van de context wel dezelfde onveranderde betekenis lijken te hebben. Denk hierbij aan makkelijk te definiëren begrippen zoals ‘psychologie’, ‘tafel’,
of ‘wijnfles’ bijvoorbeeld. Maar ook voor deze woorden geldt dat context van grote
invloed kan zijn. Een wijnfles heet een wijnfles om hem van andere soorten flessen
te kunnen onderscheiden. Staan er echter twee wijnflessen op tafel, de ene doorzichtig, de ander groen, dan zal niemand je vragen om ‘even die wijnfles te pakken’.
Terwijl er aan de fles zelf niets veranderd is. Het is nog steeds een wijnfles.
Wat is een wijnfles? Is het een wijnfles omdat het een fles is waar je wijn in doet?
Of is het een wijnfles omdat het geen bierfles is, geen petfles is, geen colafles, geen
melkfles en ook geen jeneverfles is? Wat het component ‘wijn’ op taalkundig niveau
eigenlijk doet, is de fles in kwestie (het aangeduide, signifé) onderscheiden van an-
18
dere flessen die deze eigenschap (gebruikt worden om wijn in te bewaren) niet
hebben. Dit leidt tot de conclusie dat de werkelijkheid – het aangeduide – losstaat
van hoe men dat aanduidt. Zoals ik net al zei, maakt het niks uit voor de fles of je
hem een wijnfles, een groene fles, gewoon een fles of zelfs een varken noemt; het
blijft gewoon een fles. Natuurlijk begrijpt niemand wat je bedoelt als je een fles
opeens een varken noemt, maar de eerste drie woorden (wijnfles, groene fles, fles)
zijn goed denkbaar als aanduiding voor eenzelfde wijnfles.
Boven heb ik beknopt beschreven hoe context invloed uitoefent op betekenis dan
wel interpretatie van woorden. Geeft context ons dan nog wel beweegruimte om
te zeggen wat we eigenlijk denken? Mijn antwoord hierop luidt: nou, niet echt zo
heel veel. Als context ons omwille van duidelijkheid dwingt bepaalde dingen te zeggen, hoeveel opties hebben we dan nog over?
Hiermee kom ik weer terug op wat ik vorige maand besprak: het protocol. Wat ik
bedoel met ‘protocol’ is een vaste set aan afspraken die men gebruikt om zichzelf uit te drukken. Juist omdat zowel spreker als ontvanger het protocol kennen
is communicatie mogelijk. Dat je dit artikel kan lezen is omdat je het Nederlands
beheerst, omdat je weet wat alle woorden stuk voor stuk betekenen, en hoe ze
door zich op een bepaalde manier te rangschikken informatie overbrengen. Het
protocol is dus een (enorme) set afspraken die communicatie bewerkstelligt.
Wederom het protocol
Ik denk dat de beperking van het aantal mogelijke zegswijzen dat je hebt om iets
duidelijk te maken ook een vorm van protocollisering is. Door ons door deze tunnel te wringen en toe te geven aan de verhelderende vernauwing van de context
(maar natuurlijk ook aan die van uitspraak, grammatica, semantiek etc.) wordt duidelijk wat we nou eigenlijk bedoelen met die stroom van arbitraire klanken.
Toch is er veel mogelijk. Neem het volgende citaat: “The dinner tray seems a picture of the most delicate order: it is a frame containing, against a dark background,
various objects […], and since the containers and these bits of food are slight in
quantity but numerous, it might be said that these trays fulfill the definition of
painting […]” (Roland Barthes, The Empire of Signs, p. 11). Ga maar eens na wat
hier eigenlijk wordt beschreven. Er is een donker dienblad met vele verschillende
etenswaren erop. Veel meer betekent het niet op concreet niveau. Toch heeft het
binnen de context van het boek waar het in staat betekenis/zin om te schrijven
over al het fraais dat op en om het dienblad gebeurt. Op die manier, en dat is misschien wel diepte of uitvoerigheid te noemen, is wel te variëren. De manier hoe we
dingen zeggen staat redelijk vast, maar wat we zeggen staat minder vast (natuurlijk
zijn hier ook sociolinguïstische factoren in het spel (hoe kom ik over als ik wat voor
een soort taal gebruik? etc.), maar die werken ook eerder beperkender dan bevrijdend, en zijn weer een manier om via een sociaal protocol richting en betekenis te
geven aan onze manier van uitdrukken).
19
Minder, zeg ik, want ook teksten kennen een logisch verloop, een richting, een
patroon. Dat er in de Student Study Guide staat dat je paper logisch moet zijn van
opbouw is niet voor niets. Het maakt je stuk (makkelijker) te begrijpen, en dat is
natuurlijk essentieel als je de lezer probeert te overtuigen van jouw inzichten. Een
tekst, in welke vorm dan ook, borduurt altijd voort op wat er daarvoor is gezegd,
en mensen die dat goed begrijpen en daar vaardig mee om kunnen gaan, schrijven
goede, begrijpelijke teksten (wat overigens niet zo veel met de schoonheid van taal
te maken heeft). Kortom, net als taal heeft ook tekst een protocol (zijn taal en tekst
niet ergens heel gelijk?).
Dat je moet oefenen voordat je goed teksten kan schrijven heeft er niet mee te
maken dat iemand ooit verzonnen heeft hoe een goede tekst eruit moet zien; het
heeft er eerder mee van doen dat we nooit uit onszelf leren hoe we precies complexe gedachten behoren uit te drukken. Daarvoor zijn dan de basis- en middelbare
school, en natuurlijk de universiteit, en dat is heel handig als je later een baan wil
hebben enzo.
Het feit dat we, in tegenstelling tot bijvoorbeeld directe behoeften of wensen
(“mamma, ik wil een ijsje!”), nooit op natuurlijke wijze leren hoe we precies een logisch opgebouwde, voor anderen begrijpelijke tekst maken, hint er misschien naar
dat taal in eerste instantie nooit was bedoeld voor dialoog, voor tweewegscommunicatie. Eenvoudigweg zeggen wat je wil is nogal wat anders dan het schrijven
(of houden) van een betoog.
Uiteindelijk is communicatie dus niet veel meer dan een hoop afspraken. Zonder
deze is het niet mogelijk te communiceren, dus zijn deze afspraken, dit protocol,
van essentieel belang. Toch bestaat er wereldwijd een grote verscheidenheid aan
soorten protocollen. Interessant is ook dat dit niet alleen voor taal geldt, maar
ook voor de manier waarop mensen zich gedragen, de manier waarop ze praten, en zelfs
wat ze zeggen. Ook protocol is een vorm van
cultuur.
Ik realiseer me dat ik deze keer een beetje
(heel erg?) ben afgedwaald en met nauwelijks met een woord over Japans heb gerept.
Mijn excuses daarvoor. Hopelijk was het toch
interessant. Misschien dat ik de volgende
keer eens praat over Japans in de context van
het stukje van deze maand…? Voor vragen,
opmerkingen of discussiepunten kan je me
altijd aanspreken of mailen (mjvanberlo@
gmail.com). Ik ga niet vertellen waar ik het de
volgende keer precies over ga hebben.
door Milan van Berlo
20
De Opleidingscommissie
De Opleidingscommissie (OLC) is een in de wet verankerde adviescommissie. De OLC is voor de helft samengesteld uit stafleden en voor de
helft uit studenten waarbij zowel stafleden als studenten uit dezelfde
opleiding komen. De commissie zelf valt niet onder het Opleidingsbestuur (OLB), maar onder de faculteit.
Het is de verantwoordelijkheid van de OLC toe te zien op de kwaliteit
van het onderwijs en de uitvoering van het programma. Een van de belangrijkste taken is het organiseren van de evaluaties van de cursussen/
colleges die een opleiding aanbiedt. Op basis van de bevindingen van
deze evaluaties kan de OLC adviezen geven en voorstellen tot verbetering doen. Dit gebeurt in nauw overleg met het OLB.
Omdat de OLC niet onder het Opleidingsbestuur valt, kan zij neutraal en
onafhankelijk werken. Dit betekent dat studenten die problemen constateren deze kunnen aankaarten bij de OLC, die op haar beurt de problemen aan de orde kan stellen bij bijvoorbeeld het Opleidingsbestuur.
Klachten kunnen anoniem ingediend worden, via de studentvertegenwoordigers of via de stafleden.
Op dit moment bestaat de cie
officieel uit tien personen op
basis van het aantal studenten
dat ingeschreven staat. Niet
alle plaatsen zijn gevuld, en er
is nog plaats voor een eerstejaars. Voel je je betrokken bij je
studie en ben je kritisch tegenover het programma, geef je
dan op als lid. Alle vragen kunnen gesteld worden op (olcjapans@gmail.com). Aarzel niet.
door Dr. H. van der Veere
21
Feest SVS: Yellow Fever
Na het knallende openingsfeest van Tanuki, waar mijn mede-sinologen en ik ons
uitstekend vermaakt hebben, was op 8
oktober het eerste SVS-feest. De aanloop
naar dit feest is niet zonder slag of stoot
gegaan. Er was nogal wat commotie over
het thema, die commotie zorgde echter
voor een behoorlijke dosis publiciteit
en het feest was dan ook druk bezocht
en een succes. Onder leiding van Max
Kamperman alias Zhang Jiao (de leider
van de Gele Tulbanden) werd de goede
sfeer erin gebracht en een ietwat afwijkende dance-off gedaan. Moest men
zich normaliter in allerlei bochten om de
paal in d’Ub wringen, nu werd het slik
vermogen van de leden getest. Dat Kim
Bruinsma hierbij als winnaar uit de strijd
kwam is dan ook geen verrassing. Als je
Javaanse Jongens rookt, is het atten van
een pak vla natuurlijk een peulenschil.
Tevens is de SVS sjaars/Minervaan Karst
van Hameren in ieders achting gestegen,
want als je het woord bij de daad voegt
ben je niet alleen een man maar ook een
echte SVS-er. Op het podium stond het hij
naast Max om dit te verkondigen: “Max,
let op, ik ga regelen vanavond!” (denk
een zachte g bij Karst).
Hierom werd natuurlijk gelachen, maar
niet voor lang want de eerste de beste
persoon van het vrouwelijk geslacht dat
passeerde moest inderdaad een tonginspectie van Karst ondergaan. Lekker
bezig, jongen! Ook moet ik even iemand
vermelden die schitterde door afwezigheid, Marco Lambooij, jawel dames en
heren van Tanuki, jullie eigen hoofd van
de feestcommissie! Mooie praatjes, maar
bij Marco vullen die zeker geen gaatjes.
22
Deze jongeman liep mij al heel de week
warm te maken voor een passionele
tango of wals tijdens het feest (echt,
schuren en al die vieze handelingen op
de dansvloer zijn behoorlijk passé) en
toen het moment daar was, was Marco
daar niet. Ik voel uw verontwaardiging
en bij deze heeft u mijn toestemming:
stenigen. Goed, laten we vooral de goede
sfeer erin houden en niet afdwalen naar
de wrijvingen van voorheen tussen de
SVS en Tanuki. Beide besturen zijn hard
op weg naar een (letterlijk) vruchtbare
samenwerking, en als de leden nu ook
nog eens lekker meewerken kunnen
we ons aan het eind van het collegejaar
misschien wel verblijden met een halve
SVS halve Tanuki baby. Interesse? Laat
het ons weten.
Immer de Uwe,
Wha-Ho Kruis
23
Pyke’s holletje
Voor ik met de studie Japanologie begon in 2006, vroegen veel mensen wat ik in gódsnaam moest met een studie Japans. Ik antwoordde altijd braaf wat mijn interesses
waren; de Japanse geschiedenis, de Japanse “traditionele” cultuur en natuurlijk de
taal. Ik las wel wat manga, en speelde natuurlijk games, dus ook de popcultuur interesseerde mij, maar nooit in de mate dat het mijn daadwerkelijke motivatie was voor
het kiezen van de studie. In de El Cid week ontmoette ik mijn vriendin, die juist in de
anime zat en mij dan ook introduceerde in publieksfavorieten als Naruto en Bleach. De
ongeschreven hollywoodwet geldt in de meeste gevallen echter ook voor anime; “Het
boek was beter.” Ik begon meer manga te lezen, en de keren dat ik naar Japan ging,
schafte ik voorzichtig mijn eerste paar Japanstalige volumes aan. Toen ik vorig jaar naar
Nagasaki ging, ontdekte ik dan ook snel de lokale boekendump, waar ik vele uurtjes
heb doorgebracht tussen de veel te dicht op elkaar geplaatste boekenkasten. Binnen
no-time had ik een aardige collectie in mijn boekenkast staan. Uiteraard allemaal in de
naam van de studie; het bevorderen van de leesvaardigheid.
Omdat het gros van de manga in Japan nooit in het Westen het licht zullen zien, was
het altijd een soort “treasure-hunt” tussen de letterlijk duizenden manga’s in de gemiddelde Book-Off of Hondarake. Je weet nooit precies wat je aan zult treffen. Dit wordt
alleen nog maar versterkt door het feit dat alle manga, eerste- en tweedehands, in
plastic zijn ingepakt, waardoor je vaak geen idee hebt waar zo’n manga over gaat.
Zodoende ben ik meer dan eens thuis gekomen met manga’s die varieerden van een
24
beetje vreemd, tot overduidelijk ‘Japans’. De meeste Japanologen, zeker van de laatste
jaren, zeker een redelijke kennis zullen hebben van manga, maar in Japan werkt het
allemaal iets anders. Je zoekt namelijk niet op alfabet of genre, maar op uitgever. Dit
kan lastig zijn de eerste paar keer dat je gaat winkelen. Dus, om je op weg te helpen,
een paar aanraders uit mijn boekenkast.
Om te beginnen hebben we de vertrouwde shōnen manga. De meeste lezers kennen
natuurlijk Shōnen Jump(少年ジャンプ), de bekendste uitgever van shōnen manga;
manga voor de gemiddelde mannelijke japanoloog. Hieronder vallen bekenden als
Naruto, Bleach, Eyeshield 21 en Bleach. Maar een van de belangrijkste franchises is
nog altijd Dragonball, dat om de zoveel tijd weer een speciale uitgave krijgt. Toriyama,
de man achter de Dragonballs, heeft helaas geen echte series meer gedaan sindsdien,
maar er zijn wel een aantal losse tankōbon (単行本) uit gekomen, zoals Sandland (サン
ドランド) en Kajika (カジカ). De nieuwe aftakking Jump Square is speciaal gericht op
jonge dames, hoewel daar recent de manga Ultimo uitgekomen, wat een collaboratie
was tussen de maker van Shaman King en dé godfather van de Amerikaanse comics;
Stan Lee. De grote concurrent van Jump is Shōnen Magazine (少年マガジン) en is hier
bekend van Love Hina en Air Gear. Een populaire nieuwe serie is Fairy Tail (フェアリー
テイル), van Mashima Hiro, de maker van Rave, wiens stijl vaak, terecht, door de war
wordt gehaald met Eiichiro Oda, de maker van One Piece. Voor de fans van Lost en
Lord of the Flies is er de nieuwe serie Cage of Eden (エデンの檻), over een groep rondborstige scholieren die crashen op een eiland vol met vreemde beesten.
Dit zijn wellicht de bekendste twee uitgevers in het Westen, maar in Japan houdt het
hier natuurlijk lang niet mee op. Een andere hele grote uitgever is Kadokawa (角川),
verantwoordelijk voor onder andere Keroro Gunsō (ケロロ軍曹). Alle fans van het zombie-genre kunnen ruim aan hun trekken komen in de over-de-top Highschool of the
Dead (学園黙示録), dat volgepropt zit met verwijzingen naar de westerse zombie-cultuur. De mangaka Gotsubo Masaru maakt voornamelijk korte manga, in zijn eigen, toffe stijl. Waar Kadokawa ook met veel mangaversies van populaire games, zoals Valkyria
Chronicles (戦場のヴァルキュリア), een vrij breed publiek aanspreekt in Japan, speelt
Dengeki Comics (電撃コミック) over het algemeen weer iets meer op de mainstream,
maar vreemde manga. Bekende, lichtelijk gestoorde manga zijn Yotsuba&! (よつばと!)
25
en Kemeko DX (ケメコデラックス!). DC bracht een tijdje geleden ook Sengoku Lance
(戦国ランス) uit, een onschuldige uitziende manga, aangeboden tussen de manga voor
high-school studenten. Eenmaal thuis gekomen, bleek de inhoud niet zo onschuldig
als de voorkant deed vermoeden. Dit is echter een risico (of een bonus?) dat je als
manga-jager in Japan vroeg of laat gegarandeerd mee maakt. Een laatste aanrader in
het shōnen genre is het bijzonder grappige Nyan Koi! (にゃんこい!), van het relatief
kleine Flex Comics. Dit was oorspronkelijk een gratis webcomic, over een jongen die
met katten kan spreken en allerhande klusjes voor ze op moet lossen.
In de hoek voor de iets oudere lezer vinden we voornamelijk publishers als Young Jump,
van hetzelfde bedrijf als, je raadt het al; Shōnen Jump. Een erg vermakelijke, maar ongelofelijk foute manga is Seven Ocean, door Minazuki Suu, over een wandelend lolitacomplex die samen met de protagonist de oceaan op gaat op jacht naar megalodon en
brontosaurussen. Ultra Jump, weer een andere tak van de Jump familie, bracht onder
andere Clothroad uit, met artwork van de fantastische, maar ongelukkig genaamde
Okama, een behoorlijk donker verhaal over kleermakers die superpakken maken waar
gladiatoren mee kunnen knokken. Als het gaat om fantastisch artwork kan de volgende
manga niet ontbreken aan de lijst; Yozakura Quartet (夜桜四重奏), uitgebracht door
Kōdansha, het bedrijf achter Shōnen Magazine.
Het echte pareltje is bewaard tot het eind. Het vrijwel onbekende Beam Comix heeft
een inmiddels al vrij langlopende serie genaamd King of Thorns (いばらの王). De artstijl is er een zoals je hem niet zou verwachten in een Japanse manga. De mangaka
is ongetwijfeld geïnspireerd door buitenlandse (lees: Amerikaanse) comics, en gecombineerd met het Japanse aspect geeft dit een unieke look. Het verhaal gaat over
mensen die na x aantal jaar ontwaken uit cryo-sleep, in een wereld die plots vol zit met
dino’s.
De beschrijvingen die ik hier gegeven heb zijn uiteraard heel beknopt, maar het hele
punt van dit artikel is natuurlijk om mensen zelf aan het lezen te krijgen! Dus ga naar je
dichtstbijzijnde interwebwinkel (want japanologen downloaden niet illegaal) of beter
nog; ga naar Japan, en haal eens wat Japanse manga in huis! Al was het alleen al in
naam van de verbetering van leesvaardigheid. door Pyke van Zon
26
Mucc live in Tivoli
Voor een band die in 2005 Budōkan al vol kreeg, was een halfvolle Tivoli de Helling
(capaciteit ±450 personen) vast even slikken. Aan de andere kant was er wel een aantal
diehard fans dat al vanaf half 8 ’s ochtends voor de deur was gaan liggen – pas om 7 uur
’s avonds mochten ze naar binnen.
MUCC, een Japanse band die in 1997 is gevormd en bestaat uit Tatsurō (zang), Miya
(gitaar), Yukke (bas) en Satoshi (drum), is in hun thuisland al een aantal jaren lang één
van de grotere rockbands. Door de combinatie van stevige rock met een per album wisselende stijl en steeds verrassende invloeden, hebben ze in Japan een grote fanbase
opgebouwd. Ondanks dat ze op muzikaal gebied allerlei dingen uitproberen, blijven de
nummers altijd herkenbaar als MUCC, onder andere door de kenmerkende stem van
Tatsurō.
Een ander kenmerk van Tatsurō is dat hij tijdens concerten altijd blootsvoets rondloopt,
iets waar de rest van de band overigens vrolijk aan meedoet. Zo ook dus in Utrecht.
Ook andere live gewoontes waren volop aanwezig: Tatsurō sprong alle kanten op, Miya
en Yukke wisselden regelmatig van plek en het was duidelijk dat de band net zoveel
plezier in het optreden had als het publiek. Hoogtepunten buiten de muziek om waren
Tatsurō’s pogingen tot Nederlands, dat hij oplas van een blaadje op de grond, en zijn
wat verwarrend verwoorde opdracht aan het publiek om allemaal op de grond te gaan
zitten en dan op zijn teken omhoog te springen – iets wat in Budōkan niet mogelijk
zou zijn geweest. Muzikale hoogtepunten waren ファズ, waarin Yukke een elektrische
contrabas bespeelde en Tatsurō de mondharmonica tot rockinstrument verhief; het
feit dat ze de nieuwe single Freesia speelden; en Yukke’s befaamde fingerpicking –
plectrums gebruikt hij alleen om in het publiek te gooien.
Yukke’s basspel is nog iets wat MUCC anders maakt dan andere rockbands; niet alleen
gebruikt hij nooit plectrums, hij speelt ook nog eens in verschillende nummers een
contrabas in plaats van een gewone basgitaar. Zo ook in verschillende nummers op
hun meest recente album, 球体(きゅうたい), wat hun negende studioalbum is. Momenteel werken ze alweer aan een volgend album; de eerste single, Freesia, komt uit
op 25 november, en een tweede single staat ook al gepland. Niet alleen hun muziek
en de invloeden daarin zijn zeer divers, ook hun teksten zijn dat, met onderwerpen die
variëren van een simpel verwoord maar welgemeend hart onder de riem tot poëtisch
geuite zwaardere onderwerpen als depressie en zelfmoord.
Eén van de teksten die vrijwel iedereen bij het concert kon meezingen, was die van het
nummer 最終列車(さいしゅうれっしゃ), een wat ouder nummer van hun album 鵬翼
(ほうよく) uit 2005. Ondanks dat dit pas hun eerste solo-optreden in Nederland was
(ze hebben wel in andere Europese landen concerten gehad, en zijn hier vorig jaar
geweest als onderdeel van de Taste of Chaos Tour), hebben ze dus al wel een schare
trouwe fans die de moeite doen om hun teksten uit het hoofd te leren en bereid zijn op
een koude oktoberdag vanaf ’s ochtends vroeg op ze te wachten. Laten we hopen dat
dit voor hen genoeg reden is om vaker terug te komen, want wat ons betreft was het
zeker voor herhaling vatbaar! door Liselore Goossens en Maaike de Vries
27
TFC Banzai - SVS
Daan neuriede in de wind. “Beter niks, dan
geen gehaktbal.” Zo begon een middag die
toch vooral in het teken stond van de menselijke vergankelijkheid, en gebukt ging onder een
deken van treurnis.
We waren op tijd, we waren met genoeg,
maar we scoorden onvoldoende. Er waren een
hoop supporters; goed. “Waarachtig, vandaag
gaat het wel,” zo luidde de overheersende gedachte.
De yel was luid, enkele broekjes stijf van de
spanning. Boute, goudeerlijke rakkers. In de
gelederen bevonden zich, op Angel na, geen
uitgesproken racisten. Het feit dat wij nog
nooit van SVS hadden verloren, had hier
wellicht enige invloed op.
Waar was het middenveld? Ik stond er wel,
maar kon het zelf ook niet vinden. Het probleem lag duidelijk elders. De wedstrijd was
spannend gedurende de helft van de eerste
speelfase. Toen sprong er een Fries in de
lucht, welke duidelijk niet berekend was op
het natuurgeweld dat zijn neerkomen teweeg
zou brengen. Gaia huilde, vermengd met een
noordelijke brul. Een kakafonie van leed.
Rap werd 112 gebeld, en de razende kolos de
ambulance in getild. Met een spits minder
speelden wij verder onder een vergrauwende
lucht. Coach tegen wil en dank Michiel wisselde een speler, De Schoen schoot op de paal,
Ashwin leefde op de Surinaamse tijd en was daarom nog bezig met wakker worden.
Wat een vervelende Chinezen. De meesten betroffen oprechte jonge heren en uitmuntende, schone dames, maar elke familie heeft ergens wel zo’n vergroeide miskraam in
de kruipruimte verstopt. Eén zo’n mannetje deed de post-kopactie gevelde Joeri na,
maar op hem werd met een elegante trap doorgehaald door Angel. De Chino-sjaars
waardoor Sahel in een headlock werd genomen, moet jammer genoeg wachten tot de
volgende wedstrijd.
Het was allang geen leuk treffen meer. Daarom maak ik bij deze graag van de gelegenheid gebruik om het plezier van het voetbal uit te leggen. De ‘idee’, met uw welnemen.
28
Voor mij heeft voetbal altijd om één overheersend element gedraaid: al rennende
over een groen, glooiend veld bevolkt door
transpirerende
mannen met een penetrant aroma, als een dolle, bronstige hazewindhond de grenzen aftastend; het zoeken, vragen - of sterker! - opeisen van de
bal; al lachende, vloekende, - emotioneel labiel of niet - genietende van een schouwspel waarin ik een orgaan van de archticect ben, als een radar in het uurwerk
van Chronos op
één afgebakende zone onder de hemelen
onderdeel van een tour-de-force van passie, zich schijnbaar voortbewegend in verschillende richtingen, verscheidene lotsbestemmingen, edoch een inherente verbondenheid
koesterend: is het niet zo dat hetgeen ons allen voorstuwd, ongeacht standplaats-
gebondenheid of geslacht, religie ende zeitgeist, gedreven wordt door deze
primitieve, maar des te meer eerlijke betuigingen van de echo’s van het sentiment,
zich bindend langs de
winderige uithoeken van de ziel waar ook
deze emoties bidden tot uiting, dat zijn wat men zoekt in het belopen van een pad met
een zekere afloop, zich voortslepend, smekend,
hopend, wenend,
levend?
Dat is wat er ontbrak.
Is dit het team wat twee jaar terug met 12 - 2 van SVS won?
TFC Banzai is misbruikt door een lillitputter.
door Martijn Heule
29
Mattias in 京都
Ik kijk naar links, maar er is niemand. Ik kijk naar rechts, en daar is hij ook niet. Verslagen plof ik neer op mijn bed, starend naar het plafond. Baron.
Tevergeefs probeer ik mijn grote vrienden een
biertje aan te bieden, die volgens mijn huisgenoten helemaal niet echt bestaan. Toch blijf
ik het proberen. Drinken, James! Hoe kan ik
nu gaan slapen na het sporten, zonder een fatsoenlijke derde helft?
Ooit was het anders. Ooit zat er iedere woensdag- en zondagavond nog geen paar meter van
mij vandaan een engeltje, met zowel een biertje
als een playstation-controller in zijn handen.
Hij bleef daar een groot deel van de avond en
nacht zitten. Er was geen ontkomen aan. En dat
was maar goed ook.
Er is een hoop veranderd in de circle sinds mijn
Nederlandse compagnon is teruggekeerd en ik
de enige niet-Japanner ben.
Japanse universiteiten kennen twee types verenigingen: clubs en circles. Het belangrijkste
verschil is dat een club als voornaamste doel
prestatie heeft, terwijl een circle gericht is op
recreatie. Bij een sportclub zul je dus bijvoorbeeld vaker en intensiever trainen dan bij de
circle-variant van dezelfde sport.
Clubs kunnen worden gezien als een voortzetting van de schoolclubs die je in Japan
ook al hebt op de middelbare school, vandaar ook dezelfde naam: bukatsu. Er heerst
een strikte hiërarchie en er worden lange dagen besteed aan het perfectioneren van
de soms meest luttele aspecten van de bezigheid (doorgaans een sport). Het lijkt zonde
van je tijd om hier op de universiteit nog voor te kiezen. Persoonlijk denk ik dat het te
maken heeft met een redelijk gevestigd ideaal om al je energie op één doel te richten,
een eigenschap die gewenst is in het latere bedrijfsleven en in diverse vormen van
popcultuur geïdealiseerd wordt.
30
Bij een circle gaat het simpelweg om het hebben van een leuke tijd samen. Maar, wat
Japanners onder een ‘leuke tijd’ verstaan, kan uiteraard verschillen. Er zijn redelijk serieuze circles die op het eerste gezicht niet eens zoveel verschillen van een club, maar
er zijn ook circles die meer weg hebben van een Nederlandse gezelligheidsvereniging.
Voor ieder wat wils dus. Ik zie de circle als een verwezenlijking van de vrijheden die
een Japanner als student kent, tussen twee drukke periodes in: de middelbare school
en het bedrijfsleven.
Als buitenlander een groep Japanners binnenstappen, blijft een interessante aangelegenheid. Men
weet namelijk niet precies wat men
van een gaijin kan verwachten. Dit
brengt een mooie kans voor jou met
zich mee om je te laten gelden. Dat
buitenlanders soms een niet al te
goede reputatie hebben, kan hierdoor in je voordeel werken. Zo hebben Angel en ik regelmatig taken op
ons genomen die normaal gesproken door de eerstejaars worden
gedaan. De waardering voor kleine
dingen als deze merk je pas op de
lange termijn. Ik moet eerlijk toegeven dat ik stiekem wel geniet
wanneer ik in dit opzicht als een ‘andere’ buitenlander word gezien. In
een dergelijke groepscultuur geeft
niets mij meer voldoening dan het
stadium te bereiken waarin je nog
steeds als een bijzondere, maar wel
op je eigen manier gerespecteerde
entiteit binnen de groep wordt erkend.
Mocht het er ooit van komen, dan kan ik iedereen aanmoedigen om de uitdaging aan
te gaan en lid te worden van een Japanse club of circle. Het vergt soms veel geduld,
maar uiteindelijk word je er echt voor beloond!
Ik heb me moeten inhouden, want er zijn nog zoveel andere interessante dingen te
melden op dit gebied… Misschien een volgende keer. door Mattias van Ommen
31
Jocelyn in 長崎
Dag lieve Tanukileden! It’s me, live from Japan (nou ja, niet echt, maar
ik moet toch gevat beginnen)! Ik zit hier nu ongeveer een maandje,
waarvan drie weken in Nagasaki. Daarvoor ben ik met mede-Nagasakiganger en homie 4 life Arthur naar Tokio geweest. Nadat we daar
de boel flink onveilig hebben gemaakt, zijn we met de shinkansen
richting het zuiden gegaan. We hadden ook met het vliegtuig kunnen
gaan, maar dat is zo standaard, en aan standaard doe ik niet.
Eenmaal aangekomen viel het huis gelukkig harstikke mee. Ik heb
een hele fijne kamer voor mezelf met een badkamer, een balkon en
belachelijk veel kastruimte. Helaas was de eerste week in Nagasaki
voor mij behoorlijk pittig, aangezien ik meteen de Mexicaanse griep
te pakken had en het scherm van mijn MacBook kaputt was (OK,
kom maar op met die maar-je-wist-toch-dat-Apple-crap-is-en-alleenvoor-pretentieuze-losers-opmerking. Zucht...). En laat de eerste week
nou eens onwijs belangrijk zijn, omdat we ons toen bij het gemeentehuis officieel moesten laten inschrijven (twee uur wachten), een
mobiel moesten kopen (vier uur wachten), en een bankrekening
moesten openen (nog eens twee uur wachten). Daarnaast moesten
er vrachtwagens vol formulieren worden ingevuld waarvan ik van de
meeste geen flauw benul had van wat voor nut ze hadden.
Maar goed, geen gezeur, alles is geregeld, ik ben weer helemaal gezond en mijn computer is gemaakt. Nagasaki zelf is een onwijs gezellig
stadje waar het in november zelfs zonder-jas-en-zonnebril-op-je-kopweer is, en ik geniet er dan ook met volle teugen van. Afgezien van
die ellendige bureaucratie en formulierenfetish is Japan ook een zeer
fijn land waar er op elk moment van de dag wel iets te doen is (denk:
karaoke tot in den eeuwigheid, hamburgers bij de McDonald’s om
half vier ‘s ochtends). Nou ja, behalve clubbing, want Nagasaki heeft
helaas niet echt iets als een nachtclub. Gelukkig heeft Fukuoka die
wel, dus zijn we druk bezig met het smeden van plannetjes om daar
de clubs eens onveilig te maken.
De colleges die we volgen zijn... apart. Het niveau is vrij laag, vooral
conversatie (dat voornamelijk bestaat uit zinnen voorlezen en
woordjes nazeggen). Maar aan de andere kant is het natuurlijk wel
goed voor mijn ego dat alles zo simpel is, want de docenten vinden je
gelijk helemaal “jōzuuuu”. Over docenten gesproken, omdat ik in het
begin steeds hun namen vergat, voelde ik me genoodzaakt ze bijnamen te geven, en die zijn blijven hangen. We hebben Nagel, vanwege
haar enge, lange, glitterende nepnagels; Bril, vanwege zijn, euh, bril;
Yoshioka II, omdat ze me heel erg aan Yoshioka-sensei doet denken;
Pinda, omdat zijn achterhoofd volgens Arthur op een pinda lijkt en
Makeover, omdat mijn handen steeds beginnen te jeuken als ik naar
haar kleding kijk, die varieren van amusant tot irritant. Ze varen van
amusant (Yoshioka II, spreekt voor zich, denk ik) tot irritant (Nagel,
met haar nasale piepstem: 分かる〜〜〜?)
Maar ik dwaal af. Volgende keer meer over Nagasaki raifu (Engrish
voor life, maar ik denk dat jullie dat al wel snapten)!
door Jocelyn van Alphen
32
Gijs in 大阪
Ōsaka, Minō (箕面). Alhoewel het stadje nog in de prefectuur Ōsaka
ligt, zou het in reistijd weinig verschil maken met Kyōto. De campus
ligt rond een groot trainingsveld, waarop zo goed als dagelijks wel
een bepaalde sport wordt beoefend. American football, voetbal,
lacrosse, etc. Er zijn in principe twee gebouwen waar onze kamers
zich in bevinden: 留学生会館1号館 en 2号館. Het verschil tussen de
twee gebouwen is de aanwezigheid van een persoonlijke douche/
toilet combinatie. Omdat ik zo gelukkig was mijn kamer te kunnen
ruilen met een Belg, あのバカ!〈にやにや〉heb ik deze uiteindelijk
toegewezen gekregen. Overigens zitten er helaas alleen buitenlandse
studenten in deze gebouwen.
Het programma dat de universiteit van Ōsaka aanbiedt is breed. Zo
kan er gekozen worden uit zo’n acht verschillende vakken per discipline (kanji, conversatie, teksten, compositie, luistervaardigheid,
grammatica). Zelfs negen kanji vakken! Verder zijn er ook cultuurvakken en taalwetenschappelijke vakken (dik twintig). In totaal moet je
21 vakken doen gedurende het hele jaar. Dat is wel wat meer dan in
Leiden. En daarom lijkt het in het begin wat veel…未だに多いと思
うけど…〈汗〉Een vak duurt 1,5 uur en één dag heeft vijf periodes
beginnend om 8:50, terwijl de laatste les om 17:50 eindigt. Echter, je
kunt zelf je rooster samenstellen. En als je een beetje goed kunt plannen, kun je zo een hele dag vrijmaken…だからと言って 僕 プラン
ニングができない人間みたいなんだ〈泣〉
De lessen zijn geheel in het Japans. Er wordt geëist dat je minimaal
tachtig procent van de lessen aanwezig bent. Een semester bevat vijftien weken en er zijn geen vakanties te bespeuren, behalve de kerstvakantie en enkele nationale vrije dagen.
De Minō campus van de universiteit wordt ook gebruikt door Japanse
studenten. Zo zijn er drie hoofdgebouwen waar les wordt gegeven.
De studenten studeren hier voornamelijk buitenlandse talen, zoals
Spaans, Italiaans, Duits en Engels. Zelfs Nederlands, maar dan als bijvak. Je zou denken dat niemand Nederlands kiest, maar dat valt toch
nog best mee: zo’n 25 studenten.
Om wat meer onder de Japanners te komen, dacht ik een lesje mee
te gaan draaien met de Nederlandse les. 正解!Je maakt meteen
contact met een groepje en begint je werkzaamheden als woordenboek. De leraar, 森田先生, spreekt alleen in het Nederlands. Op zich
is z’n uitspraak goed. Tellen is een ander verhaal: “Hier zijn vijf studenten en daar zijn één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, negen, acht
studenten!” In de tweede les een week later werd ik benoemd tot
‘leader’ om met uitspraak worstelende studenten te beoordelen: “Je
moet streng zijn en doorgaan totdat het goed is!” “Suiker… suiker…
suiker…”, “Leuk… leuk… leuk… leuk… leuk…” 恥を知りたいなら……
Meer in de volgende journal!
door Gijs van Maarseveen
33
Het moment van De Schoen: Terug (slot)
De avondlucht kleurt donkerrood boven Nagasaki. Het is nog ontzettend warm, terwijl
de stad zich onder mij op maakt voor de avond, een zomeravond. Ik kijk uit over het
water, over de haven en over deze stad die zich tegen de bergen vlijt. Zoals de stad in
harmonie is met de omgeving, zo wil ik mij ook neer kunnen vlijen in harmonie met
mezelf, maar ik weet dat dit vrijwel onmogelijk is. Ik weet dat de vergankelijkheid zich
harder dan ooit aan me opdringt en me bijna linea recta naar Nederland terugstuurt,
alsof ik hier nooit ben geweest.
Ben ik er eigenlijk wel echt geweest? Ik begin er steeds vaker aan te twijfelen. Het leven
is zonder echte onderbreking doorgegaan, het afgelopen jaar voorbij als een zucht.
Ik begin aan de afdaling en begeef me richting het onlangs geopende sushirestaurant.
De bordjes met sushi komen op de lopende band voorbij. Zalm, tonijn, inktvis, ei. Hier
en daar grijpt een hand naar een bordje, terwijl de mensen op andere zitplaatsen achter
hun opgestapelde bordjes voor zich uit staren. Ik voel me als zo’n bordje met daarop
een gerecht. In mijn reis door Japan ging ik van stad naar stad, als over een lopende
band en door de stad Nagasaki werd ik stevig vast gepakt. Het gerecht, ik dus, werd
verorberd, terwijl het bordje achterbleef, zoals mijn lichaam ontdaan is van zijn inhoud
en weer naar Nederland ging, terwijl mijn eigenlijke ‘ik’ door Japan is opgeslokt.
Zogezegd, ik bevind me nog dáár. Ergens.
Het theezakje met groene thee neemt het warme water tot zich en verspreidt een
zacht groene waas totdat het water verzadigd is. Ik breek twee wegwerpeetstokjes
van elkaar af en omklem met enige moeite een sushi van rijst, rauwe ui, zalm en mayonaise.
Eet smakelijk.
De trein is alweer bij het volgende station aangekomen. Wanneer ik links van me kijk zie
ik de lichten van een stad, die vager worden hoe langer ik er naar kijk. De vage schijnsels smelten samen, totdat ik niets meer zie dan een witgeel vlak bij elkaar gehouden
door een honingraatpatroon, mijn herinneringen als de zoete kleverige honing die ik
er van af probeer te schrapen.
34
Het is half augustus. Voor me strekt het meer, Kawaguchikō, zich uit. Er staan tientallen camera’s opgesteld, het grasveldje is afgeladen en op het podium staat een groep
taikodrummers enthousiast op hun taiko’s te slaan. Het moment is bijna aangebroken
waarop de lantaarns te water worden gelaten, de vlammetjes staan al ongeduldig te
wachten op een steiger, zij aan zij. Er komen tientallen bootjes aangevaren om de lantaarns op te halen, waarna ze één voor één in het water worden gelaten. Uiteindelijk
vormen de lichtjes samen een lange rij, dobberend op het wateroppervlak. De monniken verheffen hun gezang, terwijl ik toekijk, tot het diepst geroerd.
De berg Fuji steekt aan de overkant van het meer boven de hemel uit. Eindelijk is de
bewolking opgetrokken, maar een uitzicht zoals dikwijls op ansichtkaarten te zien is,
blijft uit.
Al een tijdje loop ik te peinzen. Ooit las ik eens iets over het merkwaardige van de vermenigvuldigingskracht van een vlam, hoe beter ik er over na ga denken hoe meer het
mij treft. Houd je bij een brandende kaars de lont van een andere kaars en de vlam zal
groter worden. Wanneer je de tweede lont vervolgens weghaalt, zakt de oorspronkelijke vlam weer tot zijn eerdere volume. Maar, opeens heb je twee vlammen van beide
eenzelfde volume die niet voor elkaar onderdoen, die desalniettemin er eigenlijk naar
hunkeren samen opnieuw één grote te vormen.
Daar, bij het meer Kawaguchikō, was niet de eerste keer dat ik hieraan dacht, maar het
was me nog altijd niet duidelijk waarom het me zo intrigeerde. Nu weet ik het: kan het
niet zo zijn dat Japan een lont in mij heeft ontstoken, die toen ik in Japan was samen
met de oorspronkelijke vlam één grote vlam vormde? Nu ik weer in Nederland ben
is die vlam in mij niet gedoofd, maar weggehaald van de oorspronkelijke vlam. Niet
alleen heeft Japan dus mijn eigenlijke ‘ik’ opgeslokt en achter gehouden, Japan is ook
achter gebleven in mijn ontheemde lichaam in de vorm van een klein vlammetje. Alles
wat mij staande houdt is deze zwakke vlam en het gevaar bestaat dat met het uitgaan
hiervan al het leven uit mij wordt geblazen. Een ander reëel gevaar is dat, wanneer de
vlam te lang rusteloos blijft branden, de brandstof genaamd mijn lichaam opraakt.
Eens temeer wordt me duidelijk dat ik geen andere keuze heb, dan zo snel mogelijk
terug gaan naar Japan, zodat de twee losse vlammen samen weer één grote kunnen
vormen, een die nooit zal doven. door De Schoen
35
Dr. Gé, de column
Mijn naam is Dr. Gé, en wel hierom. Sinds een aantal decennia hebben zogenaamde
wijze mensen uit ’s Gravenhage en die stinkstad aan ’t IJ het Nederlandse volk wijs
gemaakt dat ze internationaal zijn. Het woord ‘internationaal’ wordt vaak in één zin genoemd met het woordje ‘tolerantie’, maar laten we die hypocrisie voor een volgende
keer bewaren. Waarom zijn ‘wij’ internationaal? Omdat Nederlanders eeuwenlang
handel voerden met het buitenland, omdat Nederlanders eeuwenlang elke onwetende
inboorling verkrachtten, omdat Nederlanders eeuwenlang geld wilden verdienen, dus
omdat Nederlanders eeuwenlang een vreemde taal nodig hadden om de drie eerder
genoemde redenen.
Dan komen we in de moderne tijd. De komst van de televisie bracht in haar beginjaren
met zich mee: Philip Bloemendal, Miesje Bouwman, Sonneveld, Willem Duys, Toon en
meer van dit soort oer-Hollandse tv-coryfeeën. Iets later vonden we dat we wel wat
buitenlandse programma’s konden gebruiken. Zo werd na wat jaartjes J.R. en de eerste
herhalingen van the A-Team de programmering beetje bij beetje meer Amerikaans totdat in de jaren negentig het overgrote deel van ons programmabestel bestond uit het
cultureel erfgoed van de nieuwe wereld.
Begrijp me niet verkeerd. Ook al schop ik soms het liefst die ‘clochards van Uncle Sam’
eruit en wil ik dat de figuren achter alle zenders die niet eindigen op de getallen één,
twee of drie terechtgesteld worden voor het verminderen van het algemeen denkvermogen, moet ik toegeven dat ik er ook baat bij heb gehad dat wij programma’s importeren en met Nederlandse ondertiteling uitzenden. Vergeleken met omringende landen
is er een duidelijk verschil als het gaat om de beheersing van de Engelse taal. Maar dit
betekent niet dat, zoals de Nederlander trots vertelt aan zijn buitenlandse vrienden,
iedereen daadwerkelijk Engels spreekt. En dan heb ik het niet over de man van de
stroopwafels op de markt.
Een voorbeeldje. Een paar weken geleden mocht ik aanwezig zijn bij de PhD-promotie
van een Indonesische vriend. Bij zo’n gelegenheid wordt er door de top der Nederlandse universiteiten (ik weet dat ze aan de top staan, want ze droegen jurken) kritiek
geleverd op het werk van de kandidaat, die op zijn beurt de kans krijgt zich te verdedigen. Aangezien het om een buitenlander ging, moest de ceremonie in het Engels
gehouden worden. En hier schrok ik, want (en hier moet ik Youp quoten) die gasten
lulden me een partij ‘Mavo-Engels’! Drie kwartier lang heb ik accenten zo dik als Calvépindakaas op mijn boterham uit alle uithoeken van de lage landen moeten aanhoren.
Als je denkt dat een Groninger zo al verschrikkelijk klinkt, moet je ze eens in het Engels
tekeer horen gaan. Nu zul je zeggen: ‘Ze kunnen er toch niets aan doen dat ze een dik
accent hebben?’ Dat kunnen ze helaas wel, maar zorg dan, als jurk, dat alle uh’s en ah’s
niet omringd zijn met grammatica- en stijlfouten. Elke Nederlander spreekt Engels? Ik
dacht het niet. Om nog maar niet van Frans, Duits of onze eigen taal te spreken.
Maar goed, waar was deze hele geschiedenis voor nodig? Dit blaadje gaat toch over
het Arsenaal? En moest jij niet brieven beantwoorden? Het probleem is iets wat me
al jaren opvalt. Steeds meer studentjes, en zeker die op onze faculteit en vaak ook
studie, geloven in die ‘internationale’ onzin. Ze geloven dat ze heel veel weten, want
ze zijn Nederlander (en die weten altijd alles!). Sterker nog, ze hebben maar liefst de
middelbare school afgemaakt op een heel hoog niveau en ze studeren nu. Aan een
universiteit nog wel! Het ergste is dat deze types willen laten zien dat ze iets geleerd
hebben op school. Ze zijn onder de illusie (neologisme?) dat ze Engels kunnen. En dat
moet iedereen weten.
36
Waarom als ik door het Arsenaal loop, en door het Lipsius soms ook trouwens, hoor ik
aan alle kanten Engels? We wonen toch godverdomme in Nederland? In mijn huis ook,
ik word er gek van. Meestal begint een conversatie gewoon in het Nederlands. 95% van
de gesprekken gaat toch nergens over, maar vaak komt het tot een punt waar emotie
getoond moet worden. Liever zie ik dat niet, en zeker niet als het om verhalen gaat
van het kaliber ‘Libelle’, maar ik ontkom er niet aan. Ik sta de afwas te doen en iemand
loopt de keuken in. We praten wat, want je kunt je niet de hele tijd afwezig houden.
Een minuut erna komt er een ongelofelijke muts binnen die schreeuwt: ‘Oh my god!
What happened to me? I totally ‘kneused’ my finger!’ Tot mijn grote verbazing krijgt ze
antwoord. In het Engels. ‘Are you ok? Your finger got really thick!’
Allereerst, als je jezelf niet kunt verwoorden, gebruik de taal dan niet. ‘To bruise’ zat
bij mij gewoon in het pakket hoor. Ten tweede, wat is het nut van het gebruik van een
andere taal in deze situatie? Even denken…momenten waarop het acceptabel is Engels
te gebruiken. Je ouders, of een van je ouders is afkomstig uit een Engelstalig land en
dit is de taal die je thuis, maar dus ook in het openbaar aan de telefoon gebruikt (mits
het gesprekken met je ouders zijn). Niks mis mee. Er is een buitenlandse vriend of
vriendin die geen Nederlands verstaat, dus iedereen gaat in het Engels over. Compleet
begrijpelijk.
Maar van dit loze gelul word je toch achterlijk? En ik vraag het die types wel eens. ‘Ik
kan me beter uitdrukken in het Engels’, krijg ik dan te horen. In het Engels? Met je
grammatica- en stijlfouten? Je bent toch in Nederland geboren? Of: ‘Nederlands is
zo’n stomme taal.’ Dat slaat helemaal nergens op! Ik bedoel, iedereen mag een mening
hebben, maar ‘Nederlands is een stomme taal’??? En de aller-, allerergste: ‘mijn moeder is Engels en die van haar ook, dus het is veel gemakkelijker om Engels te spreken.’
Aaargh! Als ik ooit een kind krijg dat het lef heeft in het openbaar deze opmerking te
maken, erft het niets. Naar verwachting zal er ook weinig te erven zijn, maar het gaat
om het idee!
Het is gewoon de moderne ziekte der interessantdoenerij. Kijk eens naar mij? Kijk eens!
Ik kan iets wat jij niet kunt! Bah! Het is heel mooi als je de Engelse taal goed beheerst,
en daar mag je best trots op zijn, maar alsjeblieft, houd die trots voor je. Anders word
je, als je later oud en grijs bent, zo’n vervelend mannetje als Vader Abraham. Hoor
hem eens geilen op zichzelf: ‘ik had een nummer één hit in Mexico!’ Ja, met dank aan
die blauwe mannetjes van je! Ik begrijp trouwens ook niet waarom die het nog zo lang
rekken op tv, maar goed.
Ik denk altijd dat mensen die zichzelf tof vinden iets te kort komen. Misschien hebben ze in hun jeugd die ene Barbie niet gehad, of waren de meisjes op de middelbare
school niet zo geïnteresseerd in die kraterkop. Om die onzekerheid dan goed te maken
gaan ze onbewust naar dingen zoeken waarin ze wel goed zijn, of denken te zijn. En dat
moeten ze dan laten zien, zodat ze die aandacht die ze vroeger niet hebben gekregen
alsnog ontvangen.
Het is begrijpelijk als iemand een woordje Engels door zijn Nederlands gooit. Doordat
we via internet, tv en zelfs onze universiteit constant gevraagd worden iets in deze taal
te vervaardigen, is het niet te voorkomen dat je een momentje hebt dat je het juiste
woordje alleen in het Engels kunt vinden. Bijna verbasterde scheldwoorden zoals ‘fokking’ vind ik ook niets mis mee. Ik ben geen taalpurist. Het is dat misselijke vragen om
aandacht, dat zeikerige showgedrag (ik kan ook Engels!) en die zelfingenomen narcistische koppen waar ik een hekel aan heb. Van die dingen, ja, van die dingen!
Wil je reageren? Dat kan altijd. In het Nederlands. tatanukiki@gmail.com
37
Ik zit met het volgende, mijn vriendin heeft ergens tijdens een vakantie in Korea een fascinatie
opgedaan met iets wat “K-pop” of Korean Pop genoemd wordt. Dit is een muziekstroming waarin
Koreaanse mannen en vrouwen hun best doen
om enigzins geïnspireerde muziek te maken,
maar daar grandioos in falen. Nu is dit opzich een
tamelijk vermakelijke muziekstroming, ware het
niet voor het volgende: mijn vriendin is namelijk
in de veronderstelling dat ze voortaan overal haar
K(ots)-pop tussendoor kan gooien. Het begon
nog redelijk tam... Foute pop liedjes opzoeken via
youtube en dan op haar bureaustoel meeblèren
terwijl ik op de bank kon “genieten” van haar capriolen.
Het ging echter snel van kwaad naar erger; niet
lang daarna begon ze ook in het Koreaans te
zingen tijdens de afwas, het douchen, het eten
en zelfs tijdens het slapen. Stel u nu het volgende voor: wilde handgebaren, waarbij ze half
neuriënd een mislukte stem opzette – het geluid
deed me denken aan een nasale downsyndroom
patiënt die met zijn hoofd vast zit in de spoelbak
van een wc. “Brbrbrlbrlblr Chinguuuuchangchonguuuuuuu plaguuuuuuuu?”
Dit hield ik natuurlijk niet meer. Ik greep het
meest dichtbijzijnde voorwerp in de keuken, een
gloednieuwe sinaasappelperser, en ging als een
malle tekeer op haar k-pop ogen. Hoe dat precies afliep zal ik u besparen, maar ik kan u zeggen
dat ik al tijden geen versgeperste sinaasappelsap
meer heb gedronken. Het zal wel geen verrassing meer zijn dat onze relatie nu voorbij is... Hoe
kan ik het bijleggen met persoon in kwestie? En,
mochten we ooit nog terugkomen bij elkaar, hoe
kan ik er voor zorgen dat ik niet nog eens in razernij ontbrand wanneer ze haar zangkunsten aan
mij openbaart?
Help mij!
Anoniem
P.S. Verder niets tegen K-pop.
Beste anoniem,
Natuurlijk is agressie niet de oplossing. Dat heb
ik van mijn collega Dr. Phil geleerd. Ik herken je
situatie wel. K-Pop is naast J-Pop en dat gejengel
van de communistische buur van het midden niet
om aan te horen. Als je al dacht dat menig rapper
een extra kogel verdient, vind je ook dat iemand
die onbeschaamd K-Pop kan voortbrengen een
sinaasappelperser in de ogen zal staan.
Een relatie is echter geven en nemen, delen en
gedeeld worden, harmonie, samenzang en –spel,
en ook nog andere dingen. Je vriendin bruut behandelen werkt dus alleen maar averechts. Een
subtiele aanpak is dus de oplossing.
Eerst zorg je dat je haar terug krijgt. Dat doe je
zo: je pakt je rugzak. Daar pleur je een stapel
38
(uiteraard gekopieerde) DVD’s in met originele Britse ‘wijvencomedy’s’. Love Actually,
Bridget Jones, je kent ze wel. Uiteraard ook
wijn, rozen en GHB (voor noodgevallen zeg ik
altijd maar). De volgende stap is een basiscursus Koreaans. Je zal hierdoor wat sneller de
tekst gaan onthouden van het liedje dat je
het vaakst aan moest horen. Ook hiervoor wil
je niet betalen, dus check je op Joetjoeb wat
ze precies zingen. Dit stamp je in je hoofd en
met je rugzakje ga je naar haar huis. Je neemt
een straattegel en gooit die subtiel door haar
raam. Ze komt nu boos naar buiten, maar je
geeft haar één roos en je gaat zingen. De hele
tekst, maakt niet uit op het vals klinkt of niet.
Als laatst presenteer je de overige rozen, en
zal ze je in de armen vliegen, waarna jullie
elkaar zoenen in een nefferending embrees.
Hierna ga je DVD’s kijken en vraag je smooth
of ze nog de pil slikt.
Het enige wat nog moet gebeuren zijn oplossingen voor het geval ze door blijft zingen.
Je hebt haar immers laten weten dat je haar
muzieksmaak kunt accepteren. In de keuken
voorkom je haar gezang door uitgebreid sinaasappels te persen (het geeft een teringgeluid en het bloed op de pers zal haar doen terugdenken aan vervlogen tijden). In de douche
voorkom je K-Pop door uitgebreid haar rug te
scrubben. Tot ‘ie helemaal rood is. Ga je er
dan met de hete sproeier overheen, hoor je
ineens opera. In bed is dit probleem het allermakkelijkst te voorkomen. Als je zingt staat
toch je mond open?
Succes ermee! G.
Beste Dr. Gé,
Momenteel zit ik in mijn tweede studiejaar
aan de Universiteit in Leiden. Ik woon op kamers en heb al een geweldig eerste jaar achter
de rug. Nu woont er sinds dit schooljaar een
erg leuk meisje naast me, waar ik mijn oog
op heb laten vallen. Niets verkeerds of problematisch aan, zou je zeggen. Ware het niet
dat ik al een vriend heb, met wie ik vanaf het
laatste jaar van de middelbare school een
relatie heb. Deze heeft geen weet van mijn biseksuele gevoelens!
Nu ik in Leiden zit en hij nog gewoon in Zutphen, heb ik tevens het gevoel dat we uit
elkaar aan het groeien zijn. Al moet ik wel
zeggen dat dit meer aan mijn persoon ligt als
aan hem. Ik ben namelijk mijn wereld aan het
verbreden en probeer zoveel mogelijk van het
leven te genieten. Terwijl hij zich juist meer
aan mij wil aanklampen, door dagelijks vier
keer aan de telefoon te hangen. Alhoewel ik
nog steeds van hem hou vind ik dit een verstikkende situatie.
Je begrijpt, Dr. Gé, dat ik mijzelf in een lastig
parket bevind. Moet ik het uitmaken met mijn
vriend, moet ik vreemdgaan mijn mijn buur-
meisje, moet ik een open relatie voorstellen.....???! Het zijn allemaal vragen die mij
parten spelen.
naar de mannen, dan kan dit toch ook? Ik geef je
groot gelijk want mannen zijn TOF! Succes met je
beslissing.
Dr. Gé, zou jij me advies kunnen geven over
hetgeen mij te doen staat. In mijn situatie is
luisterend oor als de jouwe en een deskundig
advies erg welkom. Want ik wil nu gewoon
genieten van mijn jeugd en nog nergens aan
vastzitten. Al heb ik het gevoel dat het bij
mijn vriend wel eens heel hard aan zou kunnen komen!
G.
HELP!!!!!
Een jongen in nood
Lieve jongen in nood,
Allereerst wilde ik je zeggen dat ik het erg
dapper vind dat je ervoor uitkomt dat je
op vrouwen valt. Voor mij duurde het ook
even voordat ik dit kon accepteren. Vroeger
vertelden mijn, overigens foute, vrienden mij
dat ze beestjes hadden, en je er maar het
beste ver van verwijderd kon blijven.
Het kan erg moeilijk zijn met je gevoelens
om te gaan. Deze ervaring kan je leven veranderen. Het beste is dan ook om nog even
goed na te denken. Vind je dit meisje wel
echt leuk? Als je een tijdje in een relatie zit
komt de sleur er al snel in. Je hebt niets meer
om over te praten, je kan precies voorspellen
wat je partner gaat doen en je begint je echt
te ergeren aan zijn lichaamsgeur. De keuze is
dan snel genoeg gemaakt om voor een ander
te kiezen. Als je het gevoel hebt dat je echt
voor die derde persoon wilt gaan, dan spelen de gevoelens van je partner geen rol. Bij
iedereen komt het hard aan als je een punt
achter een relatie zet, maar als het echt niet
meer vanuit het hart komt, wordt het moment dat je vriend die sprank in je ogen mist
nog veel moeilijker. Op deze manier bespaar
je hem ook een heleboel beltegoed, iets waar
hij achteraf met dank aan zal terugdenken.
Praat eens met je buurmeisje. Ben je vrouwen echt aantrekkelijk gaan vinden? Kom erachter door eens voetbal met haar te kijken,
eens subtiel aan haar haar te ruiken, en misschien zelfs even haar hand vast te houden.
Neem haar dan mee uit op een date. Kijk
hoe ze in het openbaar functioneert. Loopt
ze helemaal recht of heeft ze hiervoor alcohol nodig? Kan ze een auto achteruit inparkeren? En kan ze koken, of heeft ze hier geen
kaas van gegeten? Leer deze persoon vooral
innerlijk beter kennen. Als jullie sterren in
één lijn staan en jullie voor elkaar geschapen
zijn, dan zullen jullie ook bij elkaar komen en
weet je dat je de juiste keuze hebt gemaakt.
Neem vooral de tijd om hier achter te komen,
en voel je vooral niet schuldig tegenover je
vriend. Geniet van je jonge bestaan, je hebt
nog tijd genoeg om weg te kwijnen in een bejaardentehuis. En mocht je weer terugwillen
Beste Dr. Gé,
Ik heb een groot probleem!! Ik heb namelijk een
zware crush op een van de docenten Japanologie! Het speelt nu al een paar maanden en ik kom
er niet van af... Toegegeven, docent in kwestie
is werkelijk het einde. Zijn Japanse uitspraak en
kennis van de taal sturen rillingen over mijn rug.
Iedere dag hoop ik dat hij me even apart neemt
zodat we onze wederzijdse hartstocht aan elkaar
kunnen tonen.
“Jitsoe wa, kimie wo aishiteroe”,
“Senseiiiiiii, daisoekiiiiii”.
Zoiets dus. Mijn Japans is niet zo goed. In ieder
geval, hoe zal ik hem benaderen. Of kan ik dit
beter laten? Ik twijfel zo erg...
Liefs,
Anoniempje
Lief Anoniempje,
Allereerst, ik begrijp je onzekerheid. De liefde is
iets ondoordringbaars en de positie van docent
maakt de verleiding altijd aantrekkelijker. Kijk
maar naar Indiana Jones, die krijgt ook genoeg
aandacht.
Maargoed, wat gaan we er aan doen? Je kan je
docent benaderen, maar je kan je gevoelens ook
voor je houden. De keuze ligt helemaal bij jou.
Als je het gevoel hebt dat je niet zonder deze persoon kunt, en niet verder kan zonder je docent
van je gedachten op de hoogte te houden, kan je
overwegen hem toch te benaderen. Maar als hij
al een vriendin heeft of zelfs getrouwd is, zal je
bericht wat minder gewenst zijn. Probeer er dus
achter te komen hoe zijn situatie is, en als je zeker
weet dat er geen keeper in het doel staat, maak
dan je move.
Trek je roodste, kleinste, strapless BH-tje aan en
ga ervoor!!! Succes! G.
39